ECLI:NL:RVS:2025:3442
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- J.M. Willems
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gegrondheid hoger beroep minister tegen bewaring vreemdeling op grond van Dublinverordening
Bij besluit van 8 oktober 2024 stelde de minister van Asiel en Migratie betrokkene in bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), de zogenaamde Dublinbewaring. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van betrokkene tegen deze bewaring gegrond en kende schadevergoeding toe. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank had geoordeeld dat de minister de motivering van de bewaring onvoldoende had toegespitst op de situatie van betrokkene, met name ten aanzien van het risico op onttrekking aan toezicht. De minister voerde aan dat het hier om een risicobeoordeling gaat en dat zij voldoende feitelijke toelichting had gegeven, met name over de zware grond 3a en lichte grond 4a uit het Vreemdelingenbesluit 2000.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister bij de zware grond 3a met een feitelijke toelichting mocht volstaan en dat ook de lichte grond 4a voldoende was toegelicht. De Afdeling verwierp het betoog van betrokkene dat meerdere zware gronden noodzakelijk zijn en bevestigde dat de motivering ook algemeen kan zijn zolang deze individueel toepasbaar is. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene werd niet-ontvankelijk verklaard omdat dat in bewaringszaken niet mogelijk is.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond en het beroep van betrokkene ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het beroep van betrokkene ongegrond en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.