ECLI:NL:RVS:2026:2509
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- D.A. Verburg
- J. Luijendijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens verstreken overdrachtstermijn in Dublinprocedure
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam de asielaanvraag van betrokkene niet in behandeling omdat Slovenië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. De rechtbank vernietigde dit besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde vervolgens deze uitspraak en verwees de zaak terug naar de rechtbank. De rechtbank stelde opnieuw het besluit van 7 juni 2023 buiten werking.
De minister stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening, maar de voorzieningenrechter van de Afdeling bepaalde dat de minister geen uitvoering hoefde te geven aan de uitspraak van de rechtbank totdat het hoger beroep was beslist. De kern van het geschil betrof de vraag of de overdrachtstermijn in de Dublinprocedure was verstreken, waardoor Nederland verantwoordelijk werd voor de asielaanvraag.
De Afdeling oordeelde dat de voorlopige voorzieningen die eerder waren getroffen de overdrachtstermijn opschortten, maar dat deze voorzieningen waren vervallen na de uitspraak van de rechtbank. Omdat na terugwijzing geen nieuwe voorlopige voorziening was toegewezen, was de overdrachtstermijn op 24 augustus 2025 verstreken. Hierdoor kon de minister betrokkene niet meer overdragen aan Slovenië en had hij geen belang meer bij het hoger beroep. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verstreken overdrachtstermijn in de Dublinprocedure.