BRS.25.001629
Datum uitspraak: 28 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 14 oktober 2025 in zaak nr. NL25.47130 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 25 september 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 14 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Berkel en Rodenrijs, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant is in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000. In zijn eerste grief betoogt hij dat uit de e-mail van 27 september 2025 van zijn gemachtigde aan de minister blijkt dat hij zijn asielaanvraag wilde intrekken. Daarom had de minister de wettelijke grondslag van de bewaring moeten omzetten. Nu dit niet tijdig is gebeurd, is de bewaring volgens hem met ingang van 27 september 2025 onrechtmatig.
1.1. Dit betoog slaagt. In de e-mail van de gemachtigde aan de minister staat dat appellant in een voorafgaand telefoongesprek met de gemachtigde uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij zijn asielverzoek wil intrekken, dat hij het daarvoor bestemde formulier wil ondertekenen en dat wordt verzocht de bewaring om te zetten. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit deze e-mail dus duidelijk dat appellant uitdrukkelijk heeft beoogd zijn asielaanvraag in te trekken.
1.2. Omdat appellant met de e-mail op 27 september 2025 te kennen heeft gegeven zijn asielaanvraag in te trekken, had de minister vanaf dat moment twee dagen de tijd om de wettelijke grondslag van de bewaring om te zetten naar artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw 2000. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1869, onder 3. De minister heeft de grondslag van de bewaring echter pas op 30 september 2025 omgezet. Gelet hierop was de bewaring met ingang van 27 september 2025 onrechtmatig. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6279, onder 3.4. 1.3. De eerste grief slaagt.
2. Wat appellant in zijn tweede en derde grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is alsnog gegrond. Omdat de bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 14 oktober 2025 in zaak nr. NL25.47130;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. kent aan appellant een vergoeding toe van € 400,00 over de periode van 27 september 2025 tot en met 30 september 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Snijders
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026
279