AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning voor padelbanen en geluidscherm in Tilburg
Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg verleende een omgevingsvergunning voor het realiseren van zes buitenpadelbanen, inclusief een geluidscherm en lichtmasten, ondanks strijd met het bestemmingsplan en parkeernormen. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering omtrent het parkeren en de wijziging van het geluidscherm.
Het college en de aanvrager stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat het college terecht een omgevingsvergunning verleende voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan, mits met een goede ruimtelijke onderbouwing. De wijziging van het geluidscherm was niet van ondergeschikte aard, waardoor een nieuwe zienswijzeprocedure had moeten plaatsvinden.
Verder werd geoordeeld dat het college de parkeersituatie adequaat had onderzocht en dat afwijken van het basisprincipe van parkeren op eigen terrein gerechtvaardigd was. Het akoestisch onderzoek was voldoende en het geluidscherm voldeed aan de vereiste absorptiewaarden. De beroepen tegen het nieuwe besluit werden ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De beroepen tegen het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning voor padelbanen en geluidscherm worden ongegrond verklaard en het besluit bevestigd.
Uitspraak
202404248/1/R2.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. het college van burgemeester en wethouders van Tilburg,
2. [appellante sub 2], gevestigd in Tilburg,
3. [appellant sub 3], wonend in Tilburg,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 mei 2024 in zaken nrs. 23/9590, 23/9591, 23/9607, 23/9608, 23/9609, 23/9611 en 23/9612 in de gedingen tussen:
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.
Procesverloop
Bij besluit van 24 juli 2023 heeft het college aan [appellante sub 2] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 6 buitenbanen voor padel, inclusief het plaatsen van een geluidscherm en lichtmasten aan de [locatie] in Tilburg.
Bij uitspraak van 31 mei 2024 heeft de rechtbank, voor zover van belang, de daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 24 juli 2023 vernietigd en het college opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag.
Tegen deze uitspraak hebben het college en [appellante sub 2] hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 3], [partij A] en anderen, [partij G] en anderen, [partij K] en [partij L] en [partij P] en anderen hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
[appellant sub 3] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het college en [appellante sub 2] hebben hun zienswijze daarop gegeven.
Bij besluit van 2 juli 2025 heeft het college opnieuw beslist op de aanvraag en de gevraagde omgevingsvergunning aan [appellante sub 2] verleend.
[partij A] en anderen, [partij G] en anderen, [partij K] en [partij L], [partij P] en anderen, [partij U] en [partij V] hebben hun zienswijze daarop gegeven.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant sub 3], [partij A] en anderen, [partij G] en anderen, [partij K] en [partij L], het college en [appellante sub 2] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 2 februari 2026, waar [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [gemachtigde B], [gemachtigde C] en mr. B.F.J. Bollen, advocaat in Tilburg, het college, vertegenwoordigd door B. Tijssen, en mr. S. Schippers en mr. J. de Baar, beiden advocaat in Breda, en [appellant sub 3], bijgestaan door mr. G.G. Kranendonk, rechtsbijstandverlener in Den Haag, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [partij A] en anderen, bijgestaan door [persoon A], [persoon B] en mr. I.E. Duijts, advocaat in Breda, [partij G] en anderen, bijgestaan door mr. T.N. Bakkes, advocaat in Tilburg, [partij K] en [partij L], bijgestaan door [persoon C] en mr. C. Lubben, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, [partij P] en anderen en [partij U] en [partij V], allen bijgestaan door mr. M.M. Breukers, rechtsbijstandverlener in Leusden, gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 30 december 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Wettelijk kader
2. De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
3. [appellante sub 2] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 6 buitenbanen voor het spelen van padel, inclusief het plaatsen van een geluidscherm met een hoogte van 4 m en lichtmasten met een hoogte van 6 m. Het college heeft bij besluit van 24 juli 2023 met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo de gevraagde omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, van de Wabo verleend voor de activiteiten bouwen en gebruiken van gronden in strijd met de bestemmingsplannen "Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013" en "Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013, 1e wijziging (Spaubeekstraat 201)".
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, is nodig, omdat de buitenbanen niet passen binnen de omschrijving van de voor het perceel geldende bestemming "Gemengd - 3". Verder zijn de lichtmasten 6 m hoog en is het geluidsscherm, nadat de aanvraag vanwege zienswijzen tegen het ontwerp is aangepast, 6,83 m hoog, terwijl volgens artikel 7.2.4 van de regels van het bestemmingsplan "Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013" ter plaatse een bouwhoogte van 5 m is toegestaan voor bouwwerken geen gebouwen zijnde.
4. [appellant sub 3], [partij A] en anderen, [partij G] en anderen, [partij K] en [partij L], [partij P] en anderen en [partij U] en [partij V] wonen in de directe nabijheid van de ontwikkellocatie in de wijk Dalem en vrezen onder meer voor parkeer- en geluidsoverlast als gevolg van het bouwplan.
Samenhang zaaknummer 202404376/1/R2
5. Deze zaak hangt samen met zaaknummer 202404376/1/R2 waarin de Afdeling ook vandaag uitspraak doet. In die zaak heeft het college aan [appellante sub 2] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een sporthal voor 8 padelbanen met horeca, fysiotherapie en kantoorruimtes op hetzelfde perceel.
Goede procesorde
6. [appellant sub 3] stelt zich op het standpunt dat het verweerschrift van het college zeer omvangrijk is en te kort voorafgaand aan de zitting is ingediend. Volgens hem moet dat stuk wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.
6.1. Verder hebben [partij K] en [partij L] op 21 januari 2026 een nader stuk ingediend en een advies van de Nederlandse Stichting Geluidshinder (NSG) van 28 maart 2024 overgelegd.
[partij G] en anderen hebben op 22 januari 2026 een nader stuk ingediend. Het stuk bevat onder meer opnames en foto’s van parkeerplaatsen en toelichtingen daarop, een notitie van Prana Consult van 11 augustus 2025 en een notitie van VAGN van 22 januari 2026.
[partij A] en anderen hebben op 22 januari 2026 een nader stuk ingediend en dezelfde notitie van VAGN overgelegd.
Het college heeft op 21 januari 2026 een nader stuk ingediend en een memo van Antea Group van 20 januari 2026 overgelegd.
6.2. Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kunnen ter motivering van een eerdere beroepsgrond, nieuwe argumenten worden aangevoerd en kan nieuw bewijs worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt dus grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan 10 dagen duurt voordat de zitting is, zoals geregeld in artikel 8:58 vanPro de Awb. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter. Bij de invulling van deze twee vragen speelt in ieder geval een rol of het bewijsmiddel eerder had kunnen worden ingediend, de omvang van het bewijsmiddel, de complexiteit ervan en de deskundigheid die vereist is om daar adequaat op te reageren.
6.3. Zoals op de zitting al is aangegeven, is het verweerschrift door het college ingediend op 6 januari 2026 en daarmee ruim voor de tiendagentermijn. Het verweerschrift zelf bestaat uit 24 pagina’s en niet uit 449 pagina’s, zoals [appellant sub 3] stelt. Voor het overige gaat het om stukken uit het procesdossier die al bekend waren bij partijen of bekend hadden kunnen zijn. Er is daarom geen aanleiding om het verweerschrift wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.
6.4. Zoals ook al op de zitting is aangekondigd, overweegt de Afdeling voor wat betreft de andere nadere stukken het volgende.
Het door [partij K] en [partij L] overgelegde advies van NSG van 28 maart 2024 is op 31 juli 2025 al door [partij A] en anderen overgelegd. De Afdeling zal dit stuk daarom niet buiten beschouwing laten.
Ook de door [partij G] en anderen overgelegde notitie van Prana Consult van 11 augustus 2025 is al eerder overgelegd, namelijk op 25 augustus 2025 door [partij K] en [partij L]. De Afdeling zal ook dit stuk daarom niet buiten beschouwing laten.
Verder zal de Afdeling de door het college overgelegde memo van Antea Group van 20 januari 2026, gelet op de beperkte omvang van 3 pagina’s, niet buiten beschouwing laten.
De Afdeling zal pagina’s 3 tot en met 7 van de door [partij G] en anderen en [partij A] en anderen overgelegde notitie van VAGN vanwege de complexiteit daarvan en de omstandigheid dat zij dit stuk eerder hadden kunnen indienen, buiten beschouwing laten. De Afdeling zal de conclusies op pagina 7 wel betrekken bij de beoordeling.
Verder zal de Afdeling de door [partij G] en anderen overgelegde opnames en foto’s van parkeerplaatsen en toelichtingen daarop buiten beschouwing laten. Daarbij betrekt de Afdeling de omvang van deze stukken en de omstandigheid dat [partij G] en anderen deze stukken eerder hadden kunnen indienen.
Aangevallen uitspraak
7. De rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen dat het besluit van 24 juli 2023 in strijd is met artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo. Volgens de rechtbank volgt uit het besluit ten onrechte niet dat een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen en gebruiken van gronden in strijd met artikel 4.1, onder a, van het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017". Daarom heeft de rechtbank het besluit van 24 juli 2023 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen. De rechtbank is niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden over het parkeren.
Verder heeft de rechtbank overwogen dat, omdat het college opnieuw moet beslissen op de aanvraag, er geen aanleiding meer is voor een oordeel over de vraag of het college voorafgaand aan het nemen van het besluit van 24 juli 2023 een nieuw ontwerpbesluit ter inzage had moeten leggen, omdat het geluidscherm waarvoor een omgevingsvergunning is verleend hoger en breder is dan in de aanvraag staat. Daarnaast heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om vooruitlopend op het nieuw te nemen besluit in te gaan op de vraag of het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat geluidaspecten niet leiden tot strijd met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat de in de aanvraag opgenomen afmetingen van het geluidsscherm beduidend kleiner zijn dan de afmetingen waarvan het college in het besluit van 24 juli 2023 is uitgegaan.
8. Het college en [appellante sub 2] hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Vervolgens heeft [appellant sub 3] incidenteel hoger beroep ingesteld.
Hoger beroepen college en [appellante sub 2]
Strijd met het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017"
9. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen vergunning is verleend voor handelen in strijd met artikel 4.1, onder a, van het bestemmingsplan Tilburg, Parkeerregeling 2017". Volgens het college gaat de rechtbank ten onrechte voorbij aan het feit dat in de "Parkeerbalans Padelbanen binnen en buiten Spaubeekstraat Tilburg, toets gemeente Tilburg" van 16 februari 2023 (parkeerbalans 2023), de zienswijzennota, de ruimtelijke onderbouwing van 24 februari 2022 en de verklaring van geen bedenkingen van de raad van de gemeente Tilburg van 6 juli 2023 is toegelicht dat wordt voldaan aan de afwijkingsmogelijkheden in de nota "Parkeernormen Tilburg 2017" (parkeernota 2017) en de omgevingsvergunning daarom kan worden verleend.
9.1. Vaststaat dat de ontwikkeling in strijd is met artikel 4.1, onder a, van het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017", omdat er onvoldoende parkeerplaatsen op eigen terrein zullen worden gerealiseerd.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat de aanvraag ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo mede had moeten worden aangemerkt als een aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning voor het met dit bestemmingsplan strijdige gebruik, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Het college had daarop dan een besluit moeten nemen, maar dat is, anders dan het college betoogt, niet gebeurd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit het besluit van 24 juli 2023 volgt dat er alleen een omgevingsvergunning is verleend voor het gebruik van gronden in strijd met de bestemmingsplannen "Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013" en "Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013, 1e wijziging (Spaubeekstraat 201)". Dat uit andere stukken zou blijken dat er gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden in de parkeernota 2017, is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende om te overwegen dat er ook een omgevingsvergunning voor voormeld strijdig gebruik is verleend.
Daarom heeft de rechtbank terecht overwogen dat het besluit van 24 juli 2023 in strijd is met artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo.
Het betoog slaagt niet.
Passeren gebrek en bestuurlijke lus
10. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft toegelicht waarom het niet mogelijk is om het geconstateerde gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb of om toepassing te geven aan de bestuurlijke lus als bedoeld in artikel 8:51a van de Awb.
10.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:712), is de ingevolge artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb aan de rechtbank toegekende bevoegdheid een zogenoemde bestuurlijke lus toe te passen discretionair van aard. De rechtbank heeft in 10.1 van haar uitspraak uitgebreid toegelicht waarom zij geen ruimte ziet om het geconstateerde gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb of om toepassing te geven aan de bestuurlijke lus als bedoeld in artikel 8:51a van de Awb.
Het betoog slaagt niet.
Gewijzigde aanvraag
11. Het college en [appellante sub 2] betogen dat de rechtbank het college ten onrechte heeft verplicht om bij de nieuwe beslissing op de aanvraag uit te gaan van de oorspronkelijke aanvraag, kennelijk zonder daarbij de wijziging te betrekken van de lengte en hoogte van het geluidscherm. Volgens hen is de wijziging van de hoogte van het geluidscherm van 4 naar 6.83 m een wijziging van ondergeschikte aard. [appellante sub 2] wijst op de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4089).
11.1. Uit de aanvraag van 30 december 2021 volgt dat [appellante sub 2] onder meer een omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor het plaatsen van een geluidscherm met een hoogte van 4 m. Op 14 maart 2022 heeft het college een ontwerpbesluit genomen en dat is op 21 maart 2022 ter inzage gelegd. Tegen dat besluit zijn zienswijzen ingediend en naar aanleiding daarvan is een van de bouwtekeningen vervangen door een tekening waarop het geluidscherm een hoogte heeft van 6,83 m. Verder is voorzien in een verlenging van het geluidscherm met ongeveer 3 m tot aan de te realiseren sporthal voor 8 padelbanen met horeca, fysiotherapie en kantoorruimtes. In afwijking van het ontwerpbesluit is bij besluit van 24 juli 2023 dat grotere geluidsscherm uiteindelijk vergund.
11.2. In dit geval is de zogenoemde uniforme openbare voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb. Bij het volgen van die procedure is de hoofdregel dat op de aanvraag wordt beslist zoals die met het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd. Als het ontwerpbesluit eenmaal ter inzage is gelegd, dan is het in beginsel niet meer toegestaan om de aanvraag nog te wijzigen of aan te vullen. Dan moet een nieuw ontwerpbesluit ter inzage worden gelegd. Dit is alleen anders als de wijziging van de aanvraag van ondergeschikte aard is. Of een wijziging van ondergeschikte aard is, moet per concreet geval worden beoordeeld. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 27 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2139), onder 2.1.
11.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college bij het nemen van een nieuw besluit in beginsel moet uitgaan van de aanvraag, maar de Afdeling begrijpt de uitspraak van de rechtbank zo dat zij van oordeel is dat de wijziging van de aanvraag niet van ondergeschikte aard is, zodat opnieuw de zienswijzeprocedure met een gewijzigd ontwerp had moeten worden doorlopen. De Afdeling volgt dit oordeel van de rechtbank. Het geluidscherm is over de gehele lengte ervan verhoogd met 2,83 m. Daarnaast is het geluidscherm verlengd met ongeveer 3 m. Door deze aanzienlijk toegenomen afmetingen wijzigt de ruimtelijke uitstraling van het geluidscherm zodanig, dat niet kan worden gesproken van een ondergeschikte wijziging. Dit ook gelet op de omvang van het project als geheel.
De betogen slagen niet.
Conclusie hoger beroepen college en [appellante sub 2]
12. De hoger beroepen van het college en [appellante sub 2] zijn ongegrond.
13. Het college moet de door [appellant sub 3], [partij A] en anderen, [partij G] en anderen, [partij K] en [partij L] en [partij P] en anderen gemaakte proceskosten in verband met de behandeling van het hoger beroep van het college vergoeden.
14. Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Awb wordt van het college griffierecht geheven.
Incidenteel hoger beroep [appellant sub 3]
Is [appellante sub 2] belanghebbende bij de aanvraag?
15. [appellant sub 3] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellante sub 2] belanghebbende is bij de aanvraag. Hij wijst erop dat de gemeente Tilburg als eigenaar van het perceel geen toestemming heeft gegeven voor de ontwikkeling en dat het enkele feit dat [appellante sub 2] vergaande contacten heeft met de gemeente over het gebruik van het perceel, onvoldoende is voor belanghebbendheid.
15.1. Iemand die een verzoek om een omgevingsvergunning indient bij het college, is in beginsel belanghebbende bij een beslissing op dat verzoek. Dit kan anders zijn als het verzoek betrekking heeft op gronden die eigendom van een ander zijn of waarop een ander zakelijke rechten heeft. De verzoeker is geen belanghebbende als (a) aannemelijk is gemaakt dat de voorgenomen activiteit niet kan worden uitgevoerd, omdat de rechthebbende daarvoor geen toestemming wil geven en (b) er geen mogelijkheid bestaat om de activiteit uit te voeren tegen de wens van de rechthebbende in (bijvoorbeeld via onteigening of het opleggen van een gedoogplicht). Alleen als een belanghebbende een bestuursorgaan verzoekt om een besluit te nemen, dan is dat verzoek een 'aanvraag' als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Als de verzoeker geen belanghebbende is, dan is zijn verzoek dus geen aanvraag.
15.2. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat in dit geval niet aannemelijk is dat het door [appellante sub 2] voorgenomen gebruik van het perceel niet kan worden verwezenlijkt als gevolg van de eigendomsverhoudingen ter plaatse. Daarbij heeft de rechtbank mogen betrekken dat duidelijk is dat de gemeente niet alleen met de gevraagde omgevingsvergunning medewerking heeft willen verlenen aan het project, maar ook dat [appellante sub 2] vergaande contacten heeft met de gemeente over het gebruik van de grond. Bovendien is er tussen de gemeente en [appellante sub 2] een koopovereenkomst gesloten waaruit volgt dat het perceel na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning door de gemeente aan [appellante sub 2] wordt overgedragen. [appellante sub 2] is dus belanghebbende bij de aanvraag.
Het betoog slaagt niet.
Parkeren
16. [appellant sub 3] betoogt dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de parkeergevolgen van het bouwplan.
16.1. [appellant sub 3] heeft zijn brief van 17 oktober 2024 aangeduid als een incidenteel hogerberoepschrift. Deze brief kan echter niet volledig worden aangemerkt als een incidenteel hogerberoepschrift. Voor het antwoord op de vraag of een stuk als incidenteel hogerberoepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt, is niet bepalend dat daarin uitdrukkelijk is gesteld dat incidenteel hoger beroep wordt ingesteld, maar is bepalend of het stuk gronden bevat die zijn gericht tegen de uitspraak van de rechtbank. Voor zover [appellant sub 3] betoogt dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de parkeergevolgen van het bouwplan, is dit geen grond die zich richt tegen de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk niet aan de beroepsgronden over parkeren toegekomen. Deze brief is in zoverre dan ook geen incidenteel hogerberoepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb, maar moet voor dit onderdeel worden aangemerkt als een schriftelijke uiteenzetting.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie incidenteel hoger beroep [appellant sub 3]
17. Het incidenteel hoger beroep is ongegrond.
18. Omdat zowel de hoger beroepen als het incidenteel hoger beroep ongegrond zijn, wordt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, bevestigd.
Het besluit van 2 juli 2025
19. Gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank heeft het college een nieuw ontwerpbesluit ter inzage gelegd en op basis daarvan het besluit van 2 juli 2025 (het nieuwe besluit) genomen. Het college heeft daarbij aan [appellante sub 2] wederom een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo voor de activiteiten bouwen en gebruiken van gronden in strijd met de bestemmingsplannen "Stadsrand Dalem-Reeshofweide 2013", "Stadsrand Dalem-Reeshofweide 2013, 1e wijziging (Spaubeek 201)", en "Tilburg, Parkeerregeling 2017". De vergunning is verleend voor het realiseren van 6 buitenbanen voor padel en het plaatsen van een geluidsscherm van 6,83 m hoog en lichtmasten van 6 m hoog.
19.1. Het nieuwe besluit wordt, gelet op artikel 6:24 vanPro de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
19.2. De Afdeling zal de beroepen van [partij A] en anderen, [partij G] en anderen, [partij K] en [partij L], [partij P] en anderen en [partij U] en [partij V] tegen het nieuwe besluit hierna beoordelen.
Beroepen
Beleid college 2016
20. [partij K] en [partij L] betogen dat het bouwplan haaks staat op het door het college in 2016 ingezette beleid om meer bedrijven te realiseren in het gebied "Stadsrand Dalem-Zuid".
20.1. [partij K] en [partij L] verwijzen naar een besluit van het college van
31 mei 2016 om het sportcomplex niet uit te breiden met een extra veld, maar om het gebied "Stadsrand Dalem-Zuid" verder te vullen met bedrijven. Dit besluit is de aanleiding geweest om het bestemmingsplan "Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013, 1e wijziging (Spaubeekstraat 201)" vast te stellen en de aanduiding "sportveld" te verwijderen. Ruimtelijke inzichten kunnen echter veranderen, zodat dit besluit naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende is om te oordelen dat het college de gevraagde omgevingsvergunning nu niet kon verlenen, als daar ruimtelijke motieven aan ten grondslag liggen. Voor die ruimtelijke motieven en het afwijken van de bestemmingsplannen "Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013, 1e wijziging (Spaubeekstraat 201)" en "Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013" is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld.
Het betoog slaagt niet.
Parkeren
- Informeren raad
21. [partij G] en anderen betogen dat de raad in de raadsbrief van 15 oktober 2024 onjuist is geïnformeerd over de onderbouwing van het nieuwe besluit, waardoor de raad geen gefundeerd standpunt heeft kunnen innemen over de gevraagde ontwerpverklaring van geen bedenkingen. Daarnaast heeft de inhoudelijke behandeling pas plaatsgevonden na het afgeven van de ontwerpverklaring van geen bedenkingen, waardoor het ontwerp is gebaseerd op onvolledige informatie, aldus [partij G] en anderen.
21.1. De Afdeling stelt vast dat het college op 15 oktober 2024 een raadsvoorstel heeft gedaan voor het afgeven van een nieuwe ontwerpverklaring van geen bedenkingen. Daarnaast heeft het college op 15 oktober 2025 de raad met een raadsbrief op de hoogte gesteld over het verloop van de procedure. Dat [partij G] en anderen zich niet volledig in deze brief en de weergave van het verloop van de procedure kunnen vinden, betekent nog niet dat de raad onjuist of onvolledig is geïnformeerd. Niet gebleken is dat de raadsbrief van 15 oktober 2024 zodanige onjuistheden bevat dat de raad is misleid. Voor zover [partij G] en anderen betogen dat met de weergave in die brief aan hun positie en standpunten onvoldoende recht is gedaan, wijst de Afdeling erop dat de raad kennis heeft kunnen nemen van alle onderliggende stukken en de uitspraak van de rechtbank van 31 mei 2024. Niet gebleken is dus dat de raad het afgeven van de ontwerpverklaring van geen bedenkingen heeft gebaseerd op onvolledige of onjuist informatie.
Het betoog slaagt niet.
- Overgangsrecht
22. [partij P] en anderen en [partij U] en [partij V] betogen dat het bouwplan ten onrechte is getoetst aan de parkeernota 2017. Volgens [partij P] en anderen en [partij V] had het bouwplan moeten worden getoetst aan de nota "Parkeernormen Tilburg 2023" (parkeernota 2023). Zij wijzen erop dat het overgangsrecht in de parkeernota 2023 afwijkt van het overgangsrecht in het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017".
22.1. Artikel 4.1, onder a, van de regels van het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017" luidt:
"De gronden mogen enkel worden bebouwd of gebruikt onder voorwaarde dat ten behoeve van het parkeren of stallen van (motor)voertuigen in, op of onder het gebouw dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort in voldoende mate parkeergelegenheid aanwezig is."
Artikel 4.3, aanhef en onder b, van de regels van het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017" luidt:
Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van artikel 4.1 en 4.2 indien: wordt voldaan aan de voorwaarden en vrijstellingsregels zoals neergelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Indien deze parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd dient te worden voldaan aan de desbetreffende wijzigingen.
22.2. Op 1 januari 2024 is de parkeernota 2023 in werking getreden. Daarmee is de parkeernota 2023 het toepasselijke beleidskader. Paragraaf 2.3 van de parkeernota 2023 bepaalt dat op aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten bouwen en/of strijdig gebruik die vóór de inwerkingtreding van deze parkeernota zijn ingediend, de parkeernormen zoals die golden op grond van de parkeernota 2017 van toepassing zijn. De planregel bepaalt dus dat de parkeernota 2023 van toepassing is en die parkeernota bepaalt weer dat voor deze zaak de eisen uit de parkeernota 2017 van toepassing blijven. De aanvraag is namelijk op 30 december 2021 ingediend en op 15 april 2023 aangevuld, zodat dient te worden getoetst aan de parkeernota 2017. Dat heeft het college dus goed gedaan. De door [partij P] en anderen en [partij U] en [partij V] veronderstelde strijd tussen het overgangsrecht in de parkeernota 2023 en het overgangsrecht in het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017" is er niet. Deze vullen elkaar aan.
De betogen slagen niet.
- Verwezenlijken bouwplan
23. [partij P] en anderen en [partij U] en [partij V] betogen dat het college de aanvraag niet-ontvankelijk had moeten verklaren, omdat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt. Zij wijzen erop dat de benodigde parkeerplaatsen niet op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd, hetgeen in strijd is met artikel 4.1, onder a, van de regels van het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017".
23.1. Zoals hierboven onder 22.1 al uiteen is gezet, kan het bevoegd gezag op grond van artikel 4.3, aanhef en onder b, van de regels van het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017" een omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van artikel 4.1, onder a, indien wordt voldaan aan de voorwaarden en vrijstellingsregels zoals neergelegd in de parkeernota 2017. Omdat van artikel 4.1, onder a, kan worden afgeweken, is het naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt, omdat de benodigde parkeerplaatsen niet op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd.
De betogen slagen niet.
- Parkeren op eigen terrein
24. [partij A] en anderen, [partij G] en anderen, [partij K] en [partij L], [partij P] en anderen en [partij U] en [partij V] betogen dat het college niet had mogen afwijken van het basisprincipe dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, als bedoeld in de parkeernota 2017, omdat de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd. Zij voeren aan dat [appellante sub 2] wel kán voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein, maar dat niet wíl, omdat zij ook de sporthal voor 8 padelbanen met horeca, fysiotherapie en kantoorruimtes wil realiseren. Daarnaast is volgens hen niet onderzocht of het bouwplan kan worden aangepast om parkeren op eigen terrein alsnog mogelijk te maken. Verder heeft [appellante sub 2] niet gemotiveerd waarom zij niet aan de parkeereis kan voldoen. Ook dat is in strijd met de parkeernota 2017.
24.1. Zoals hierboven onder 22.1 is uiteengezet, mag het college op grond van artikel 4.3, aanhef en onder b, van de regels van het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017" afwijken van artikel 4.1, onder a, indien wordt voldaan aan de voorwaarden en vrijstellingsregels zoals neergelegd in de parkeernota 2017.
In paragraaf 3.1 van de parkeernota 2017 staat dat het basisprincipe is dat een ontwikkeling in de parkeereis voorziet op eigen terrein en dat wanneer niet (volledig) aan dit basisprincipe kan worden voldaan, de initiatiefnemer moet aantonen waarom realisatie van de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk is. In dat geval moet worden bezien of een aanpassing van het bouwplan of mogelijk andere oplossingen kunnen leiden tot het wel voldoen aan de parkeereis op eigen terrein.
Verder staat in paragraaf 3.1 van de parkeernota 2017 dat het in voorkomende gevallen fysiek onmogelijk of onwenselijk kan zijn om op het eigen terrein parkeergelegenheid te realiseren, maar dat wel de mogelijkheid bestaat om de parkeerbehoefte in de directe nabijheid van het bouwplan op te lossen. De initiatiefnemer moet aangeven hoe dit gebeurt.
Paragraaf 3.1.b van de parkeernota 2017 bepaalt dat als blijkt dat de parkeereis niet op eigen terrein kan worden opgelost, het mogelijk is om te onderzoeken of in de directe omgeving (structurele) restcapaciteit is voor de (resterende) parkeerbehoefte. Er is sprake van restcapaciteit indien de parkeerdruk in de directe omgeving, met de toevoeging van de parkeerbehoefte van de ontwikkeling, onder de 85% blijft. Onder directe omgeving wordt in dit verband verstaan binnen een straal van 250 m van de ontwikkeling.
24.2. De Afdeling overweegt dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de mogelijkheid om af te wijken van het basisprincipe niet is beperkt tot gevallen waarin het fysiek onmogelijk is de parkeerbehoefte volledig op te lossen op eigen terrein. In paragraaf 3.1 van de parkeernota 2017 staat namelijk dat van het basisprincipe mag worden afgeweken indien het fysiek onmogelijk óf onwenselijk is om op eigen terrein parkeergelegenheid te realiseren. Deze benadering sluit ook aan bij de strekking van de parkeernota 2017. Zo volgt onder andere uit paragraaf 1.1 en 1.2 van de parkeernota 2017 dat van het basisprincipe mag worden afgeweken wanneer daardoor met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast in de omgeving ontstaat. Voor het antwoord op de vraag of er geen parkeeroverlast in de omgeving ontstaat, is de reden van afwijken niet relevant. Uiteindelijk is afwijken mogelijk als dit vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is.
24.3. Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd waarom parkeren op eigen terrein in dit geval onwenselijk is. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het te ver strekt om [appellante sub 2] te dwingen geen gebruik te maken van de omgevingsvergunning voor de sporthal voor 8 padelbanen met horeca, fysiotherapie en kantoorruimtes door haar te verplichten dat op die locatie moet worden voorzien in de benodigde parkeerplaatsen voor de buitenbanen. Daarnaast heeft het college toegelicht dat het voor wat betreft het gebied "Stadsrand Dalem-Zuid" juist positief staat tegenover het vinden van een parkeeroplossing in openbaar gebied, omdat het college streeft naar dubbelgebruik van parkeerplaatsen. Op die manier wordt onnodige verharding en leegstand van reeds bestaande parkeergelegenheid voorkomen. Verder heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat het in dit geval niet nodig is om nader onderzoek te verrichten naar de vraag of een aanpassing van het bouwplan of mogelijk andere oplossingen kunnen leiden tot het wel voldoen aan de parkeereis op eigen terrein. Volgens het college is het feitelijk onmogelijk om zowel de 6 buitenbanen als de sporthal voor 8 padelbanen met horeca, fysiotherapie en kantoorruimtes op het perceel te realiseren en daarbij ook parkeergelegenheid op eigen terrein mogelijk te maken.
De betogen slagen niet.
- Gebiedsgerichte benadering
25. [partij A] en anderen en [partij G] en anderen betogen dat in de "Parkeerbalans Padel, binnen en buitenbanen aan de Spaubeekstraat Tilburg" van 2 april 2025 (parkeerbalans 2025) en de toelichting op de parkeerbalans van 3 april 2025 (toelichting parkeerbalans 2025) ten onrechte staat dat met het nieuwe besluit gebruik is gemaakt van een gebiedsgerichte benadering, zoals omschreven in paragraaf 2.4 van de parkeernota 2017. Zij wijzen erop dat de gebiedsgerichte benadering is bedoeld voor grote gebiedsontwikkelingen waarbij een parkeervisie wordt opgesteld door de ontwikkelaar die in plaats van de parkeernota 2017 als toetsingskader wordt gebruikt. Volgens [partij A] en anderen en [partij G] en anderen meent het college kennelijk dat gebruik is gemaakt van een gebiedsgerichte benadering, maar omdat er geen parkeervisie is opgesteld, is dit niet mogelijk. Dit ondermijnt de onderbouwing van het nieuwe besluit, aldus [partij A] en anderen en [partij G] en anderen.
25.1. Op grond van paragraaf 2.4 van de parkeernota 2017 kan bij grote gebiedsontwikkelingen door de initiatiefnemer een parkeervisie worden opgesteld. Nadat deze visie de goedkeuring van het stadsbestuur heeft gekregen, worden aanvragen niet aan de parkeernota 2017, maar aan die parkeervisie getoetst.
25.2. In de parkeerbalans 2025 en de toelichting parkeerbalans 2025 staat dat uit is gegaan van de gebiedsgerichte parkeeroplossing, zoals omschreven in paragraaf 2.4 van de parkeernota 2017.
Niet in geschil is dat er geen parkeervisie door [appellante sub 2] is vastgesteld. De gebiedsgerichte benadering kan alleen al om die reden niet zijn toegepast. Daarnaast heeft het college in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat in het nieuwe besluit niet is uitgegaan van een gebiedsgerichte benadering, maar dat met de verwijzing naar de gebiedsgerichte benadering als bedoeld in paragraaf 2.4 van de parkeernota 2017 is bedoeld dat voor de gebiedsontwikkeling van "Stadsrand Dalem-Zuid" is gekozen voor een gezamenlijke parkeeroplossing waarbij het gehele gebied is betrokken en met name het bezoekersparkeren zoveel mogelijk gecombineerd in openbaar gebied wordt opgelost. De Afdeling begrijpt dat sommige passages in de betrokken stukken bij [partij A] en anderen en [partij G] en anderen de indruk hebben kunnen wekken dat er sprake was van een gebiedsgerichte benadering, maar deze is in deze zaak bij de beoordeling van het parkeren niet toegepast.
De betogen slagen niet.
- Parkeerbehoefte
26. [partij G] en anderen betogen dat in het nieuwe besluit ten onrechte is vermeld dat de parkeerbehoefte 41 parkeerplaatsen is. Volgens hen is het nieuwe besluit om die reden gebrekkig.
26.1. De Afdeling volgt niet het betoog van [partij G] en anderen dat de omgevingsvergunning gebrekkig is, omdat daarin een parkeerbehoefte van 41 parkeerplaatsen in plaats van 57 parkeerplaatsen wordt vermeld. Het college heeft toegelicht dat dit een kennelijke verschrijving is. Dat de parkeerbehoefte voor de 6 buitenbanen en de sporthal voor 8 padelbanen met horeca, fysiotherapie en kantoorruimtes 57 parkeerplaatsen is, volgt onder meer ook uit de parkeerbalans 2025.
27. [partij A] en anderen en [partij G] en anderen betogen dat het parkeeronderzoek van GLV van september 2024, versie maart 2025 (parkeeronderzoek 2025), de parkeerbalans 2025 en de toelichting parkeerbalans 2025 gebreken bevatten. Volgens hen komt het college ten onrechte tot de conclusie dat de maximale bezetting van de beschikbare parkeercapaciteit binnen een straal van 250 m van de ontwikkeling onder de 85% blijft. Zij wijzen onder meer op de notitie van VAGN van 22 januari 2026.
[partij A] en anderen en [partij G] en anderen voeren aan dat GLV een onjuist meetmoment heeft gehanteerd en ten onrechte niet heeft gemeten op zaterdagochtend tussen 9.30 en 10.30 uur. Daardoor is GLV uitgegaan van een onjuiste parkeerdruk. [partij G] en anderen wijzen op een door henzelf opgemaakt verslag met foto-opnamen in de maanden maart, april en mei 2025, waaruit volgt dat het drukste moment op zaterdagochtend rond 9.45 uur is.
[partij A] en anderen en [partij G] en anderen brengen verder naar voren dat GLV in het parkeeronderzoek 2025 en het college in de parkeerbalans 2025 tot een onjuiste parkeercapaciteit zijn gekomen. Volgens [partij G] en anderen heeft GLV een te groot gebied beschouwd als de "directe omgeving" door te rekenen vanaf de hoeken van de ontwikkeling. Daarnaast heeft GLV ten onrechte geen rekening gehouden met de maximale loopafstand van 250 m, zoals onder meer genoemd in paragraaf 4.1 van de parkeernota 2017. Dat heeft volgens [partij G] en anderen tot gevolg dat alle parkeerplaatsen in de woonwijk Dalem niet meetellen voor de parkeercapaciteit. Overigens kunnen de parkeerplaatsen in deze woonwijk wel worden bereikt via zogenaamde "olifantenpaadjes", maar dat zijn geen formele looproutes. Verder heeft het college volgens [partij G] en anderen voor het berekenen van de parkeercapaciteit ten onrechte nieuwe parkeerplaatsen "gecreëerd", namelijk 5 tot 7 parkeerplaatsen door de ontwikkeling zelf en 8 parkeerplaatsen aan de Wagenbroek en Sneekstraat, wat leidt tot een overschatting van de parkeercapaciteit met 13 tot 15 parkeerplaatsen.
Tot slot wijzen [partij G] en anderen erop dat de zogenaamde "robuustheidstoets" terzijde geschoven moet worden, omdat het college uitgaat van een onjuiste parkeercapaciteit.
27.1. Zoals in overweging 24.1 is uiteengezet, bepaalt paragraaf 3.1, onder b, van de parkeernota 2017 dat als blijkt dat de parkeereis niet op eigen terrein kan worden opgelost, het mogelijk is om te onderzoeken of in de directe omgeving (structurele) restcapaciteit is voor de (resterende) parkeerbehoefte. Er is sprake van restcapaciteit indien de parkeerdruk in de directe omgeving, met toevoeging van de parkeerbehoefte van de ontwikkeling, onder de 85% blijft. Onder de directe omgeving wordt in dit verband verstaan binnen een straal van 250 m van de ontwikkeling.
27.2. Voor de onderbouwing van de parkeerdruk en de parkeerbehoefte is aan het nieuwe besluit het parkeeronderzoek 2025, de parkeerbalans 2025 en de toelichting parkeerbalans 2025 ten grondslag gelegd. In die stukken is de parkeerdruk en parkeerbehoefte voor zowel de 6 buitenbanen als de sporthal voor 8 padelbanen met horeca, fysiotherapie en kantoorruimtes uiteengezet. De Afdeling merkt op dat de gemeten capaciteit in deze stukken enigszins afwijkt van de resultaten uit het parkeeronderzoek van GLV van september 2024 (parkeeronderzoek 2024) en de aan de hand daarvan door het college opgestelde "Parkeerbalans Padel, binnenbanen aan de Spaubeekstraat Tilburg" van 21 november 2024 (parkeerbalans 2024) en de toelichting op de parkeerbalans van 13 november 2024 (toelichting parkeerbalans 2024), die ten grondslag zijn gelegd aan het nieuwe besluit in zaaknummer 202404376/1/R2. Dat betekent dat de berekeningen van de parkeerdruk in overweging 27.8 ook enigszins afwijken van de berekeningen in de uitspraak van de Afdeling van vandaag over de sporthal voor 8 padelbanen met horeca, fysiotherapie en kantoorruimtes.
Voor het vervolg zal de Afdeling uitgaan van het meest recente parkeeronderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het nieuwe besluit, namelijk dat van 2025. Dat doet de Afdeling omdat het om een toekomstige ontwikkeling gaat. Dat betekent dat de bevindingen uit het parkeeronderzoek van GLV van oktober 2022 buiten beschouwing worden gelaten.
27.3. De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat GLV een onafhankelijke en onpartijdige deskundige is. Dat volgt ook uit de door dat [partij G] en anderen en Jacobs en anderen overgelegde notitie van VAGN van 22 januari 2026. Volgens VAGN heeft GLV de data zorgvuldig verzameld. Dat VAGN vervolgens uitgaat van andere tellingen dan GLV, kan naar het oordeel van de Afdeling op zichzelf niet tot het oordeel leiden dat het parkeeronderzoek 2025 onjuistheden bevat. Niet is gebleken dat de tellingen van GLV niet representatief zijn.
27.4. De Afdeling is verder van oordeel dat [partij A] en anderen en [partij G] en anderen onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het parkeeronderzoek 2025, de parkeerbalans 2025 en de toelichting parkeerbalans 2025 dermate grote gebreken bevatten, dat het college niet tot de conclusie kon komen dat er voldoende restcapaciteit is in de directe omgeving van de ontwikkeling. De Afdeling zet hieronder uiteen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
27.5. Voor het bepalen van het representatieve meetmoment is GLV in het parkeeronderzoek 2025 uitgegaan van de functie in de directe omgeving die de meeste bezoekers trekt: voetbalvereniging T.S.V. Gudok. Op basis van het trainings- en wedstrijdschema van deze vereniging is op 8 verschillende meetmomenten geteld, waarvan 6 metingen op zaterdag 14 september 2024 en zaterdag 21 september 2024 tussen 9.00 en 9.30 uur, 10.30 en 11.00 uur en 11.30 en 12.00 uur. Het moment waarop de meeste auto’s geparkeerd stonden in het onderzoeksgebied is zaterdag 21 september 2024 tussen 10.30 en 11.00 uur. Dat [partij G] en anderen en Jacobs en anderen zelf hebben waargenomen dat de parkeerdruk op zaterdagochtend tussen 9.30 en 10.30 uur het grootst is, betekent niet dat de gehanteerde peilmomenten niet representatief zijn. Behalve de waarnemingen van [partij G] en anderen en Jacobs en anderen zijn er namelijk geen andere aanknopingspunten, ook niet in de door anderen ingebrachte parkeeronderzoeken, voor de stelling dat de peilmomenten van GLV in het parkeeronderzoek 2025 niet representatief zijn. Om te motiveren dat er geen parkeeroverlast ontstaat in de directe omgeving, hoeft het college bovendien niet op elk moment de parkeerdruk te meten.
27.6. Voor zover het college voor het bepalen van de "directe omgeving" is uitgegaan van de hoeken van het perceel aan de [locatie], overweegt de Afdeling dat dit op zich een gebruikelijke meetwijze is en dat die meetwijze niet leidt tot een gebrek.
27.7. Verder wordt volgens het college voor het berekenen van de restcapaciteit, zoals bedoeld in paragraaf 3.1, onder b, van de parkeernota 2017, niet gekeken naar de acceptabele loopafstanden in paragraaf 4.1, maar naar het aantal parkeerplaatsen binnen een straal van 250 m gemeten vanaf de hoeken van het perceel aan de [locatie]. Op de zitting heeft het college toegelicht dat deze straal is gebaseerd op een gemiddelde van de acceptabele loopafstanden en dit gemiddelde voorkomt dat voor elke functie een andere berekening moet worden gemaakt. Dat geldt hier in het bijzonder omdat de ontwikkeling in dit geval plaatsvindt binnen een bestaande omgeving met verschillende functies, waaronder sport en bedrijvigheid. Bovendien betreft het een inschatting van de parkeersituatie in de toekomst, waarin looproutes kunnen veranderen. Gelet hierop heeft het college mogen kiezen om bij een beoordeling van de parkeerdruk alle parkeerplaatsen in een straal van 250 m bij het onderzoek te betrekken.
27.8. Voor zover [partij G] en anderen hebben berekend dat het college de gemeten capaciteit met 13 tot 15 parkeerplaatsen overschat, overweegt de Afdeling het volgende. Uit het parkeeronderzoek 2025 en de parkeerbalans 2025 volgt dat de gemeten capaciteit in 2025, inclusief de benodigde parkeerplaatsen voor de sporthal voor 8 padelbanen met horeca, fysiotherapie en kantoorruimtes, neerkomt op 385 parkeerplaatsen binnen een straal van 250 m. Verder is de parkeerdruk op het representatieve meetmoment, inclusief de benodigde parkeerplaatsen voor de 6 buitenbanen en de sporthal, 296 parkeerplaatsen. Dit leidt tot een maximale bezetting van 76,9%. Ook wanneer de door het college berekende capaciteit met 15 parkeerplaatsen wordt overschat, is de maximale bezetting 80% en dus ook ruim onder de 85%.
27.9. Uit de parkeerbalans 2025 en de toelichting parkeerbalans 2025 volgt dat het college een robuustheidstoets heeft uitgevoerd, omdat de [locatie] van de woonwijk Dalem is gescheiden door de brede Dalemdreef en een brede groenstrook. Hierdoor ligt het volgens het college voor de hand dat bezoekers alleen in de woonwijk gaan parkeren als er echt geen andere mogelijkheid is. Met de robuustheidstoets heeft het college berekend of de parkeercapaciteit op het bedrijventerrein zelf, dus zonder de parkeerplaatsen in de wijk Dalem, voldoende is om de toekomstige parkeerdruk op te vangen. Omdat deze toets niet volgt uit de parkeernota 2017, geldt de maximale bezetting van 85% niet. Uit de robuustheidstoets volgt een parkeercapaciteit van 233 parkeerplaatsen en een parkeerdruk van 200 parkeerplaatsen, wat leidt tot een maximale bezetting van 85,8%. Ook hieruit volgt dat het college met voldoende zekerheid heeft mogen stellen dat er door de ontwikkeling geen parkeeroverlast in de omgeving ontstaat.
De betogen slagen niet.
Geluid
- Omgevingstype
28. [partij G] en anderen, [partij A] en anderen en [partij K] en [partij L] betogen dat het college bij de toepassing van de richtafstanden als bedoeld in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-brochure) ten onrechte is uitgegaan van het omgevingstype "gemengd gebied". Volgens hen liggen hun woningen in een "rustige woonwijk". [partij G] en anderen en [partij A] en anderen wijzen daarbij op een tegenadvies van Cauberg Huygen van 4 april 2022 en [partij K] en [partij L] wijzen op twee rapportages van Buro SRO van 4 oktober 2023 en 20 maart 2024.
Verder brengen [partij G] en anderen naar voren dat, los van de vraag of er sprake is van een "gemengd gebied", hun woningen in een rustige woonwijk liggen en dat hiervoor een "geluid beperkt"-zone van 100 m geldt op grond van de VNG-Handreiking activiteiten en milieuzonering uit 2024.
28.1. Aan het nieuwe besluit ligt het akoestisch onderzoek van Stantec B.V. van 12 april 2023 (akoestisch onderzoek) ten grondslag. Met dat onderzoek is aan de hand van de richtafstanden in de VNG-brochure de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de ontwikkeling onderzocht. In het akoestisch onderzoek wordt ervan uitgegaan dat de ruimtelijke ontwikkeling is gelegen binnen het omgevingstype "gemengd gebied", en hiervoor gelden richtwaarden van 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en 70 dB(A) voor het maximale geluidniveau (piekgeluiden).
28.2. De omgevingstypen "rustige woonwijk" en "gemengd gebied" worden in de VNG-brochure als volgt omschreven.
Een "rustige woonwijk" is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen, in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties, is weinig verstoring door verkeer.
Een "gemengd gebied" is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
28.3. Het college is naar het oordeel van de Afdeling terecht uitgegaan van het omgevingstype "gemengd gebied", omdat er functiemenging plaatsvindt. De wijk waar [partij G] en anderen, [partij A] en anderen en [partij K] en [partij L] wonen is weliswaar een rustige woonwijk, maar gekeken moet worden naar het gebied waarin de nieuwe ontwikkeling plaatsvindt. En in dat gebied komen verschillende gebruiksfuncties voor, zoals sportaccommodaties, bedrijven en woningen. Verder grenst de ontwikkellocatie aan de Dalemdreef die functioneert als gebiedsontsluitingsweg. Om die reden wordt in het akoestisch onderzoek van Stantec B.V. terecht uitgegaan van "gemengd gebied" en daarmee ook van de juiste richtwaarden.
28.4. Voor zover [partij G] en anderen stellen dat hun woonwijk ligt in een "geluid beperkt"-zone, overweegt de Afdeling dat het college op de zitting heeft toegelicht dat die zone alleen toepasbaar is in het geval de ontwikkeling direct aansluit op een "rustige woonwijk". Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat de Dalemdreef tussen de ontwikkellocatie en de woonwijk ligt.
De betogen slagen niet.
- Akoestisch onderzoek
29. [partij G] en anderen, [partij A] en anderen, [partij K] en [partij L], [partij P] en anderen en [partij U] en [partij V] betogen dat het akoestisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het nieuwe besluit onjuist en onvolledig is. Zij verwijzen daarvoor naar de onderzoeken van Cauberg Huygen van 29 juni 2023 en 28 maart 2024 en naar het advies van NSG van 28 maart 2024. Volgens hen gaat het college ten onrechte voorbij aan de inhoud van deze stukken.
[partij A] en anderen, [partij G] en anderen en [partij K] en [partij L] voeren aan dat onderzoek ontbreekt naar de cumulatieve geluidsbelasting van de 6 buitenbanen voor padel en de sporthal voor 8 padelbanen met horeca, fysiotherapie en kantoorruimtes. Verder brengen zij naar voren dat indirect geluid, waaronder stemgeluid en geluid vanwege de verkeersaantrekkende werking, ten onrechte niet (volledig) is beoordeeld. Ook wijzen zij op enkele technische aspecten. Zo is volgens hen uitgegaan van een onjuiste bodem- en reflectiefactor, waardoor de geluidsbelasting is onderschat. Daarnaast is volgens hen uitgegaan van een onjuiste bedrijfssituatie. Tot slot brengen [partij A] en anderen naar voren dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de aanvaardbaarheid van het geluidsniveau ter hoogte van de tuinen van hun woningen.
29.1. Onderzoek naar de cumulatie van geluid van de sporthal en de buitenbanen is hier niet nodig omdat er geen aanknopingspunten zijn dat de sporthal in relevante mate bijdraagt aan de geluidsoverlast.
29.2. Voor zover wordt betoogd dat in het akoestisch onderzoek de verkeersaantrekkende werking van de inrichting niet is beoordeeld, overweegt de Afdeling het volgende. In paragraaf 3.7 van het akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd dat het verkeer van en naar de inrichting beperkt is en het geluid daarvan opgaat in de geluidbelasting van de Dalemdreef, de doorgaande weg die tussen de ontwikkellocatie en de woonwijk Dalem ligt. De geluidsbelasting van het verkeer van en naar de inrichting is niet te onderscheden van de geluidsbelasting van de doorgaande weg. Gelet hierop heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat het akoestisch onderzoek op dit punt niet onvolledig is.
29.3. Voor wat betreft het stemgeluid wordt in paragraaf 4.6 van het akoestisch onderzoek geconcludeerd dat spelers gedurende 5 minuten per uur met verheffende stem spreken en dat 1 op de 3 toeschouwers continu aan het praten is met in een worst case scenario ongeveer 2 minuten per uur een enthousiaste uitschieter met stemverheffing. Verder volgt uit paragraaf 3.4 van het akoestisch onderzoek dat op het berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, vanwege het stemgeluid van spelers en toeschouwers, een toeslagfactor van 5 dB in rekening is gebracht.
Vervolgens volgt uit de berekeningen in tabel 8.2 van het akoestisch onderzoek dat de maximale geluidniveaus van 70 dB(A) als gevolg van de padelbanen voor de dag- en avondperiode, zelfs zonder geluidscherm, op geen van gemeten locaties wordt overschreden. Verder volgt uit tabel 8.3 en 8.4 dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 50 dB(A) als gevolg van de padelbanen voor de dag- en avondperiode, inclusief de 5 dB toeslagfactor en een geluidscherm van 4,0 dan wel 6,83 m hoog, op geen van de gemeten locaties wordt overschreden. Om de bovengenoemde redenen is er geen aanleiding voor het oordeel dat het stemgeluid onvoldoende is meegewogen in het akoestisch onderzoek.
29.4. Voor zover [partij A] en anderen, [partij G] en anderen en [partij K] en [partij L] wijzen op een onjuiste bodem- en reflectiefactor, overweegt de Afdeling als volgt.
In het akoestisch onderzoek is rekening gehouden met de uitgangspunten in de Handreiking Padel en Geluid van januari 2023, versie 1.0, en het bijbehorende addendum. Daarin staat dat een gemiddelde (conservatieve) bodemfactor van 0,3 wordt gehanteerd, wat betekent dat het gehele bodemgebied tussen de padelbanen en de woningen voor 30% absorberend is. Daarnaast staat in het addendum dat in een akoestisch onderzoek een inschatting moet worden gemaakt van de daadwerkelijke situatie en dat dat maatwerk betreft. In het akoestisch onderzoek wordt uitgegaan van een bodemfactor van 0,7 voor de padelbanen zelf en een bodemfactor van 0,8 voor de verharde terrassen en de ruimte rondom de padelbanen. Voor zover [partij A] en anderen, [partij G] en anderen en [partij K] en [partij L] vraagtekens zetten bij de haalbaarheid van een bodemfactor van 0,7, overweegt de Afdeling dat in de vergunningsvoorschriften is opgenomen dat de minimale akoestische absorptiewaarden van de vloeren van de padelbanen overeen dienen te komen met de uitgangspunten in het akoestisch onderzoek. Het overtreden hiervan is een kwestie van handhaving. Voor de stelling van [partij A] en anderen, [partij G] en anderen en [partij K] en [partij L] dat voor de bodem van de verharde terrassen en de ruimte rondom de padelbanen moet worden uitgegaan van een bodemfactor van 0,0, bestaat geen grond. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het oppervlak van deze terreindelen klein is en dat deze bodemdelen achter het geluidsscherm liggen, waardoor een wijziging van de bodemfactor niet zal leiden tot andere geluidsniveaus op de gevels van de woningen in de wijk Dalem.
Verder is in het akoestisch onderzoek gerekend met een reflectiefactor van 0 tot 10%, wat betekent dat 0 tot 10% van het geluid wordt teruggekaatst door het oppervlak in plaats van dat het wordt geabsorbeerd. Voor zover [partij A] en anderen, [partij G] en anderen en [partij K] en [partij L] vraagtekens zetten bij de juistheid hiervan, overweegt de Afdeling dat op de zitting is gebleken dat een verhoging van de reflectiefactor tot 100% leidt tot een toename van een aantal tienden dB(A). Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dat geen wezenlijk verschil in geluidsbelasting is en dat dit in dit geval ook niet zal leiden tot een overschrijding van de richtwaarden.
29.5. Wat betreft de bedrijfssituatie is in het akoestisch onderzoek uitgegaan van een worst case scenario. Het gaat dan om het gebruik van de 6 padelbanen van 10.00 tot 23.00 uur met een effectieve speeltijd van 75% per baan. De keuze voor de effectieve speeltijd is in hoofdstuk 4 van het onderzoek onderbouwd. Naar het oordeel van de Afdeling hebben Stantec B.V. en het college voldoende onderbouwd waarom zij deze bedrijfssituatie representatief vinden.
29.6. Voor zover [partij A] en anderen erop wijzen dat er geen onderzoek is verricht naar de aanvaardbaarheid van het geluidsniveau ter hoogte van hun tuinen, overweegt de Afdeling dat uit de memo van Antea Group van 20 januari 2026 volgt dat het verschil tussen de geluidniveaus op de gevels van de woningen en de tuinen zeer gering is. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat de geluidsbelasting in de tuinen vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is.
29.7. Om de bovenstaande redenen heeft het college naar het oordeel van de Afdeling aan het nieuwe besluit het akoestisch onderzoek ten grondslag mogen leggen.
De betogen slagen niet.
- Positie en uitvoering geluidscherm
30. [partij A] en anderen betogen dat het geluidscherm dat is vergund, niet het geluidscherm is dat is meegenomen in het akoestisch onderzoek.
30.1. In het akoestisch onderzoek wordt uitgegaan van een geluidscherm van 6,83 m hoog dat aansluit op de sporthal en 100% geluidsabsorberend is aan de zijde van de padelbanen en 90% geluidsabsorberend aan de zijde van de Dalemdreef. In de vergunningsvoorschriften staat dat de minimale akoestische absorptiewaarden van de geluidschermen dienen overeen te komen met de uitgangspunten uit het akoestisch onderzoek. Daarmee is dus geborgd dat aan de uitgangspunten in het akoestisch onderzoek wordt voldaan en is het geluidscherm dat wordt vergund hetzelfde als waarvan in het akoestisch rapport wordt uitgegaan.
Het betoog slaagt niet.
- Beplantingsplan
31. [partij A] en anderen betogen dat niet duidelijk is op welke wijze het beplantingsplan van REDD van 7 april 2025 zal worden uitgevoerd, omdat de gewijzigde tekeningen van het geluidscherm daarvan geen deel uitmaken.
31.1. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat het beplantingsplan, dat op grond van de vergunningsvoorschriften moet worden uitgevoerd in het eerste plantseizoen na het in gebruik nemen van de buitenbanen, een definitieve en gedetailleerde weergave geeft van de met de ontwikkeling aan te leggen beplanting. Dat de gewijzigde tekeningen van het geluidscherm geen deel uitmaken van het beplantingsplan, maakt dit niet anders.
Het betoog slaagt niet.
- Verdiepte aanleg
32. [partij A] en anderen betogen dat de verdiepte aanleg van de buitenbanen ten onrechte niet als voorwaarde aan de omgevingsvergunning is verbonden. Zij vrezen dat er nadelige geluidseffecten voor de omgeving ontstaan als de buitenbanen hoger dan 90 cm boven het waterpeil komen te liggen.
32.1. Op de zitting hebben het college en [appellante sub 2] verklaard dat de verdiepte aanleg is geborgd in de tekeningen van 7 april 2025 en 26 juni 2023 en daarmee als zodanig deel uitmaakt van de omgevingsvergunning. Het overtreden hiervan is een kwestie van handhaving.
Het betoog slaagt niet.
Goede ruimtelijke ordening en belangenafweging
33. [partij A] en anderen betogen dat de belangen van de woonomgeving niet of onvoldoende bij de besluitvorming zijn betrokken, omdat de omgeving niet wordt beschermd tegen overlast door uitwijkgedrag van bezoekers van de padelbanen. Dat leidt volgens hen tot een onaanvaardbare parkeerbelasting van het Schoonhovenerf.
33.1. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat het parkeeronderzoek 2025 en de parkeerbalans 2025 hebben aangetoond dat ook op het drukste moment van de week nog parkeerruimte vrij is op het bedrijventerrein, waardoor de kans dat gebruikers van de padelbanen in de wijk Dalem parkeren niet groot is, zeker gelet op de omstandigheid dat tussen de padelbanen en de parkeerplaatsen in deze wijk de Dalemdreef ligt.
Het betoog slaagt niet.
34. [partij K] en [partij L] betogen dat de belangen van de woonomgeving niet of onvoldoende bij de besluitvorming zijn betrokken, omdat onvoldoende rekening is gehouden met de toenemende parkeerdruk, de verminderde verkeersveiligheid en verkeersleefbaarheid.
34.1. Voor zover [partij K] en [partij L] betogen dat onvoldoende rekening is gehouden met de toenemende parkeerdruk en verminderde verkeersleefbaarheid, geldt wederom dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat uit het parkeeronderzoek 2025 en de parkeerbalans 2025 volgt dat ook op het drukste moment van de week nog voldoende parkeerruimte vrij is op het bedrijventerrein en dus overlast als gevolg van parkeren niet te verwachten is.
Voor zover [partij K] en [partij L] betogen dat er geen rekening is gehouden met de verminderde verkeersveiligheid, overweegt de Afdeling dat zij niet hebben onderbouwd waarom de verkeersveiligheid door de ontwikkeling in het geding is en waarom de Dalemdreef de toename van het aantal verkeersbewegingen niet veilig zou kunnen afwikkelen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie beroepen
35. De beroepen zijn ongegrond.
36. Het college hoeft de door [partij A] en anderen, [partij G] en anderen, [partij K] en [partij L], [partij P] en anderen en [partij U] en [partij V] gemaakte proceskosten in verband met de behandeling van de beroepen niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II. verklaart de beroepen tegen het besluit van 2 juli 2025 ongegrond;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tilburg tot vergoeding van:
- bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.401,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- bij [partij A], [partij B], [partij E], [partij F], [partij C] en [partij D] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.401,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- bij [partij G], [partij H], [partij I] en [partij J] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.449,25, waarvan € 1.401,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- bij [partij K] en [partij L] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.401,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- bij [partij P], [partij Q], [partij R], [partij S] en [partij T] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.401,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
IV. bepaalt dat van het college van burgmeester en wethouders van Tilburg een griffierecht van € 559,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Pistoor, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Pistoor
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026
932-1140
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3
[…]
3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
[…].
Artikel 6:6
Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
a. niet is voldaan aan artikel 6:5 ofPro aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of
b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,
mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Artikel 6:19
1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
2. […].
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Artikel 6:24
Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6:12 vanPro overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld.
Artikel 8:51a
1. De bestuursrechter kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De vorige volzin vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld.
2. De bestuursrechter bepaalt de termijn waarbinnen het bestuursorgaan het gebrek kan herstellen. Hij kan deze termijn verlengen.
Artikel 8:58
1. Tot tien dagen voor de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen.
2. Op deze bevoegdheid worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:56, gewezen.
Artikel 8:109
1. Het griffierecht voor het hoger beroep bedraagt:
a. […]
b. […]
c. € 559 als anders dan door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld.
2. Indien het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld en de aangevallen uitspraak in stand blijft, wordt van het bestuursorgaan een griffierecht geheven dat gelijk is aan het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde bedrag.
Artikel 8:110
1. Indien hoger beroep is ingesteld, kan degene die ook hoger beroep had kunnen instellen, incidenteel hoger beroep instellen. De voorschriften omtrent het hoger beroep zijn van toepassing, tenzij in deze titel anders is bepaald.
2. […].
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
b. […]
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan
[…].
Artikel 2.10
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
a. De gronden mogen enkel worden bebouwd of gebruikt onder voorwaarde dat ten behoeve van het parkeren of stallen van (motor)voertuigen in, op of onder het gebouw dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort in voldoende mate parkeergelegenheid aanwezig is.
b. Hierbij moet worden voldaan aan de parkeernormen en rekenmethode, zoals neergelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Indien deze parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd dient te worden voldaan aan de gewijzigde parkeernormen en rekenmethode;
c. De onder a. bedoelde plaatsen voor het stallen van voertuigen moeten afmetingen hebben die afgestemd zijn op gangbare (motor)voertuigen, zoals neergelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Indien deze parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd dient te worden voldaan aan de desbetreffende wijzigingen.
4.3 Afwijken van de regels
Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van artikel 4.1 en 4.2 indien:
a. op andere wijze in de nodige laad- of losruimte wordt voorzien;
b. wordt voldaan aan de voorwaarden en vrijstellingsregels zoals neergelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Indien deze parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd dient te worden voldaan aan de desbetreffende wijzigingen.
Op het plan zijn de regels van het bestemmingsplan "Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013", vastgesteld door de gemeenteraad op 7 april 2014, van overeenkomstige toepassing.