AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging weigering omgevingsvergunning voor puinbreken wegens onjuiste motivering geluidhinder
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant weigerde op 5 september 2012 een omgevingsvergunning voor het veranderen van een inrichting ten behoeve van het breken van puin op een perceel te Boxtel. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond. Appellante stelde dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat het college niet hoefde te beslissen op de gewijzigde aanvraag, waarin het aantal breekdagen werd teruggebracht van 30 naar 20.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de wijziging van de aanvraag niet leidde tot meer geluidhinder per dag, omdat de gemiddelde breekcapaciteit en de gebruiksduur van de puinbreker ongewijzigd bleven. Het college had de wijziging ten onrechte niet meegenomen en het besluit ontbeerde een deugdelijke motivering in strijd met artikel 3:46 AwbPro.
De Afdeling vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep gegrond. Omdat inmiddels een gewijzigd bestemmingsplan is vastgesteld waardoor de geluidgrenswaarden mogelijk niet meer van toepassing zijn, zag de Afdeling af van inhoudelijke behandeling van de overige gronden. Het college werd gelast opnieuw te beslissen op de gewijzigde aanvraag, rekening houdend met de actuele feiten en omstandigheden.
Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante, inclusief griffierecht en kosten van rechtsbijstand.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning wordt vernietigd en het college wordt gelast opnieuw te beslissen op de gewijzigde aanvraag.
Uitspraak
201302515/1/A4.
Datum uitspraak: 27 november 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te Boxtel,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 februari 2013 in zaak nr. 12/3139 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.
Procesverloop
Bij besluit van 5 september 2012 heeft het college, voor zover in deze procedure van belang, geweigerd aan [appellante] een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) te verlenen voor het veranderen van de inrichting dan wel de werking daarvan ten behoeve van het breken van puin op het perceel [locatie] te Boxtel.
Bij uitspraak van 22 februari 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.M.A.A. Oostvogels, werkzaam bij De Roever Omgevingsadvies, en N. van den Wijngaard, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Bij besluit van 29 januari 2010 heeft het college aan [bedrijf] (thans: [appellante]) ingevolge artikel 8.1 van de Wet milieubeheer vergunning verleend voor een inrichting voor de op- en overslag en het bewerken van grond en overige bouwstoffen (afvalstoffen) op het perceel.
Bij besluit van 5 september 2012 heeft het college de aanvraag van [appellante] van 7 januari 2011 om een omgevingsvergunning voor het veranderen van de inrichting afgewezen, omdat het gedurende 30 dagen per jaar breken van puin behoort tot de representatieve bedrijfssituatie en de geluidgrenswaarden niet in acht worden genomen.
2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet was gehouden te beslissen op de aanvraag, zoals gewijzigd op 3 augustus 2012. Volgens haar staat vast dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, derden door de wijziging van de aanvraag niet zijn benadeeld. Daartoe voert zij aan dat de capaciteit van de breker ongewijzigd blijft en dat bovendien het aantal dagen waarop puin gebroken wordt, wordt teruggebracht van 30 naar 20, zodat jaarlijks één derde puin minder wordt gebroken. Doordat de puinbreker minder vaak wordt ingezet dan in de oorspronkelijke aanvraag van 7 januari 2011 was voorzien, wordt de geluidhinder beperkt ten opzichte van die aanvraag. Voorts stelt zij dat op 7 januari 2011 vergunning was aangevraagd voor maximaal 30 dagen puin breken, zodat ook in die aangevraagde situatie minder dan 30 dagen puin kon worden gebroken.
2.1. Bij de totstandkoming van besluiten op aanvraag die ingevolge artikel 3.10 van de Wabo worden voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals neergelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), moet in beginsel op de aanvraag worden beslist zoals die is ingediend en met het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd. Na het ter inzage leggen van het ontwerpbesluit is het niet meer geoorloofd de aanvraag nog te wijzigen en aan te vullen, tenzij de wijziging van ondergeschikte aard is.
2.2. [appellante] heeft op 7 januari 2011 vergunning aangevraagd voor het breken van 30.000 ton puin per jaar, waarbij gebruik wordt gemaakt van een in te huren mobiele puinbreker die een breekcapaciteit heeft van 100 tot 150 ton per uur. Vast staat dat [appellante] na het ter inzage leggen van het ontwerp van het besluit de aanvraag alleen heeft gewijzigd in die zin dat het maximale aantal dagen waarop puin zal worden gebroken, niet 30 maar 20 dagen per jaar bedraagt.
Anders dan de rechtbank en het college tot uitgangspunt hebben genomen, bestaat geen grond voor het oordeel dat gedurende 20 breekdagen mogelijk per dag meer puin wordt gebroken en daarmee meer geluidhinder wordt veroorzaakt door de puinbreker dan bij 30 breekdagen. In het van de aanvraag deel uitmakende akoestisch rapport van Ulehake Bouwfysica van 27 april 2007 is immers vermeld dat de puinbreker gedurende acht uren in de dagperiode in werking is en dat de gemiddelde breekcapaciteit 1.000 ton per dag bedraagt. De gemiddelde breekcapaciteit per dag en het aantal uren per dag dat de breekinstallatie in werking is, zijn ongewijzigd gebleven. Bij 20 breekdagen per jaar waarop gemiddeld 1.000 ton per dag wordt gebroken zal derhalve het totaal ten hoogste 20.000 ton puin per jaar bedragen. Gedurende 20 breekdagen zal per dag mitsdien gemiddeld niet langer of meer puin per dag worden gebroken dan bij 30 breekdagen. De rechtbank heeft ten onrechte betekenis toegekend aan de omstandigheid dat in de wijziging van de aanvraag niet expliciet de maximale breekcapaciteit van 30.000 ton per jaar is beperkt tot maximaal 20.000 ton per jaar, nu de aangevraagde gemiddelde breekcapaciteit per dag niet is gewijzigd. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de wijziging van de aanvraag tot gevolg heeft dat de puinbreker per dag dat deze in werking is meer geluidhinder zal veroorzaken. De vrees dat de wijziging van de aanvraag leidt tot extra geluidhinder is dan ook feitelijk onjuist. Het besluit van 5 september 2012, waarbij de wijziging van de aanvraag vanwege mogelijke geluidhinder gedurende de 20 breekdagen niet is meegenomen, berust derhalve in strijd met artikel 3:46 vanPro de Awb niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
Het betoog slaagt.
3. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond. Hoewel het college te kennen heeft gegeven vergunning voor puinbreken op 20 dagen per jaar te zullen weigeren met dezelfde motivering als neergelegd in het bij de rechtbank bestreden besluit, ziet de Afdeling geen aanleiding om uit een oogpunt van finale geschillenbeslechting de inhoudelijke gronden van [appellante] te behandelen. Ter zitting heeft het college immers te kennen gegeven dat de raad van de gemeente Boxtel inmiddels een gewijzigd bestemmingsplan heeft vastgesteld. Indien de inrichting niet langer op een gezoneerd industrieterrein is gelegen, gelden de grenswaarden ingevolge de Wet geluidhinder niet voor de inrichting en geldt de verplichting die bij de beslissing op de aanvraag in acht te nemen ingevolge artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, sub 2, van de Wabo evenmin.
Het college dient alsnog op de aanvraag, zoals deze is gewijzigd op 3 augustus 2012, te beslissen met inachtneming van de feiten en omstandigheden zoals die zich dan voordoen.
4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellante] te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 februari 2013 in zaak nr. 12/3139;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 5 september 2012, kenmerk C2011262/3105583;
V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.937,36 (zegge: negentienhonderdzevenendertig euro en zesendertig cent), waarvan € 1.888,00 (zegge: achttienhonderdachtentachtig euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 788,00 (zegge: zevenhonderdachtentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.