Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:1908

Raad van State

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
BRS.25.000887
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Betrokkene, een Afghaanse asielzoeker met PTSS, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Polen verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelde dat de minister zijn besluit ondeugdelijk had gemotiveerd en onzorgvuldig had voorbereid, omdat betrokkene aannemelijk had gemaakt dat hij in Polen geen adequate psychologische zorg zou ontvangen. De rechtbank vernietigde het besluit en beval een nieuw besluit.

De minister stelde hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister terecht mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat er geen sprake was van systeemfouten in de Poolse zorg. De grief van de minister slaagde, waardoor het vonnis van de rechtbank werd vernietigd.

Betrokkene voerde nog aan dat overdracht aan Polen ernstige gezondheidsgevolgen zou hebben en dat de minister zijn besluit ondeugdelijk had gemotiveerd, maar deze gronden werden ongegrond verklaard. De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees het beroep van betrokkene af.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.

Uitspraak

BRS.25.000887
Datum uitspraak: 10 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 juli 2025 in zaak nr. NL23.29451 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 15 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 15 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. F.M. Holwerda, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1.        Betrokkene heeft de Afghaanse nationaliteit. De minister heeft zijn aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Polen daarvoor verantwoordelijk is. Betrokkene lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS) waarvoor hij in Nederland een behandeling ondergaat. Hij heeft in de beroepsprocedure brieven van GGZ Centraal overgelegd waaruit blijkt dat hij traumabehandeling krijgt door middel van EMDR. Volgens betrokkene is er in Polen geen reguliere therapie beschikbaar voor personen met PTSS. Dit blijkt volgens hem uit de rapporten van de Asylum Information Database (AIDA), ‘Country Report: Poland 2023 update’, en ‘Country Report: Poland 2024 update’. Deze uitspraak gaat over de vraag of betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de minister niet van het vermoeden mag uitgaan dat Polen aan zijn internationale verplichtingen zal voldoen.
De uitspraak van de rechtbank
2.        De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zijn besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd en onzorgvuldig heeft voorbereid. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Polen geen toegang zal hebben tot de voor hem benodigde zorg. Onder verwijzing naar het AIDA-rapport (update 2023) heeft zij overwogen dat er in Polen geen reguliere therapie beschikbaar is voor personen met PTSS, dat de beschikbare behandeling wordt beschouwd als interventie en niet als reguliere therapie en dat er een tekort is aan psychologen die bereid zijn om psychologische zorg te bieden aan kwetsbare en getraumatiseerde asielzoekers. Volgens de rechtbank heeft de minister ondeugdelijk gemotiveerd dat hij nog altijd van het vermoeden mag uitgaan dat Polen zal voldoen aan zijn internationale verplichtingen. De toelichting dat psychiatrische behandeling in Polen mogelijk is, maar niet een-op-een vergelijkbaar zal zijn met de behandeling die betrokkene momenteel krijgt, is onvoldoende. Dit betekent dat de minister gehouden is nader onderzoek te doen in Polen, aldus de rechtbank.
Het hoger beroep van de minister
3.        De enige grief is gericht tegen dit oordeel van de rechtbank. De minister wijst er terecht op dat uit de AIDA-rapporten blijkt dat er basisgezondheidszorg wordt geboden in de opvangcentra. Dit omvat volgens dat rapport ook medische zorg voor personen met psychische problemen. Ook zijn er psychologen aanwezig in alle opvangcentra en is een verwijzing naar een psychiater of een psychiatrisch ziekenhuis mogelijk. Uit de AIDA-rapporten blijkt weliswaar ook dat de beschikbare psychologische hulp voor mensen met PTSS wordt beschouwd als een interventie en niet als reguliere therapie en dat er een tekort is aan psychologen die bereid zijn om te werken met kwetsbare en getraumatiseerde asielzoekers, maar dit betekent niet dat asielzoekers structureel geen toegang hebben tot psychologische zorg. Dat er mogelijk beperkingen zijn ten aanzien van de toegang tot de zorg en de aard of omvang van deze zorg, maakt niet dat sprake is van systeemfouten. Daarvoor verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:179, onder 5, waarin zij heeft overwogen dat geen sprake is van zodanige structurele tekortkomingen met betrekking tot de toegang van asielzoekers tot specialistische medische zorg, dat voor Polen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.
3.1.        De grief slaagt.
Conclusie hoger beroep
4.        Het hoger beroep is gegrond. Het is niet nodig wat de minister verder aanvoert te bespreken. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep
5.        Betrokkene voert aan dat hij ernstig is mishandeld in Polen, waardoor hij is getraumatiseerd. Daarnaast zijn een Afghaanse vriend en kennis overleden bij het passeren van de Poolse grens. Hij stelt dat hij hier lichamelijke en psychische klachten aan heeft overgehouden. Een overdracht aan Polen zal daarom volgens hem aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen hebben voor zijn gezondheidstoestand als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2017, C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft betrokkene een verwijzingsbrief en een uitdraai van zijn patiëntendossier overgelegd.
5.1.        Deze beroepsgrond slaagt niet. Het is aan betrokkene om een beroep op het arrest C.K. tegen Slovenië te onderbouwen met objectieve gegevens. Daarin is hij niet geslaagd. Uit de overgelegde stukken blijkt weliswaar dat betrokkene veel last heeft van zijn been en klachten heeft die gerelateerd zijn aan PTSS, maar deze bevatten geen concrete aanwijzingen dat de overdracht aan Polen aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor zijn gezondheidstoestand zal hebben.
6.        Betrokkene voert verder aan dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in de door betrokkene genoemde omstandigheden geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling te nemen.
6.1.        Deze beroepsgrond slaagt ook niet. De minister heeft in zijn besluit betrokken dat de medische voorzieningen in Polen van vergelijkbare kwaliteit zijn als in Nederland en dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de medische behandeling die hij nodig heeft, niet in Polen zou kunnen krijgen. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 3 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1490, onder 2.1. Verder heeft de minister in zijn besluit de door betrokkene gestelde behandeling door de Poolse autoriteiten beoordeeld. De minister heeft er terecht op gewezen dat niet is gebleken dat betrokkene hierover niet kan klagen bij de hogere Poolse autoriteiten.
Conclusie beroep
7.        Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 juli 2025 in zaak nr. NL23.29451;
III.        verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026
872-1137