ECLI:NL:RVS:2025:1490
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- N. Verheij
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-overdracht naar Bulgarije
De minister van Asiel en Migratie nam op 12 december 2024 een besluit om de asielaanvraag van betrokkene niet in behandeling te nemen vanwege een voorgenomen overdracht aan Bulgarije op grond van de Dublinverordening. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank, die het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling onderzocht of betrokkene bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt op het ontbreken van opvang en of hij effectief tegen een weigering van opvang kan optreden. Deze rechtsvraag werd beantwoord in een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2025:1080), waarop de Afdeling zich baseerde en concludeerde dat de grief slaagt.
Betrokkene voerde aan dat zonder aanvullend medisch onderzoek geen overdracht aan Bulgarije mocht plaatsvinden vanwege zijn psychische problemen en suïcidaliteit, onderbouwd met een patiëntendossier. De Afdeling oordeelde dat betrokkene onvoldoende objectieve gegevens had overgelegd waaruit een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand bij overdracht zou volgen, zoals vereist op grond van het arrest C.K. tegen Slovenië van het Hof van Justitie.
Daarnaast stelde betrokkene dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom zijn individuele omstandigheden niet tot een andere beslissing leidden. De Afdeling vond dat de minister adequaat had gemotiveerd dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor behandeling en dat medische voorzieningen in Bulgarije vergelijkbaar zijn. Ook was er geen bewijs dat betrokkene niet effectief kon klagen over behandeling door Bulgaarse autoriteiten.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, maar verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.