AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling van bewaring en proceskostenveroordeling in vreemdelingenrechtelijke zaak
De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 28 januari 2026 in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze maatregel ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De rechtbank had vastgesteld dat de minister bij de bewaring geen motivering had gegeven over het non-refoulementbeginsel, wat een gebrek in de maatregel opleverde. Dit gebrek maakte de bewaring echter niet onrechtmatig, omdat het belang van de minister zwaarder woog dan het belang van appellant, die geen risico op refoulement liep.
Appellant stelde dat de rechtbank het gebrek onterecht had gepasseerd zonder proceskostenvergoeding toe te kennen, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht de belangen had afgewogen en dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling, omdat het gebrek de bewaring niet onrechtmatig maakte.
De Afdeling ziet geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten en verklaart het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, inclusief het niet toekennen van proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De bewaring van appellant wordt als rechtmatig bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 februari 2026 in zaak nr. NL26.5313 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 28 januari 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 19 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.T.V. Le, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister in de maatregel van bewaring geen motivering heeft opgenomen waaruit blijkt dat hij bij het opleggen van de maatregel is nagegaan of het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen de verwijdering van appellant. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een gebrek in de maatregel op. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4066, heeft de rechtbank overwogen dat, zoals ook volgt uit artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000, dit gebrek de inbewaringstelling pas onrechtmatig maakt, als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Naar het oordeel van de rechtbank is het belang van appellant, te weten haar belang om zich te kunnen verweren tegen de overwegingen in het besluit, in dit geval niet wezenlijk geschaad. Uit de verklaringen van appellant blijkt dat in haar geval geen sprake is van een risico van refoulement. Het belang van de minister bij het opleggen van de maatregel moet zwaarder wegen dan de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen van appellant. Het gebrek maakt de inbewaringstelling hierdoor niet onrechtmatig, aldus de rechtbank.
2. Dit oordeel van de rechtbank is in hoger beroep niet bestreden. Appellant betoogt in haar enige grief dat de rechtbank het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb heeft gepasseerd, omdat de belangenafweging niet in haar voordeel uitvalt. Gelet op de toepassing van dat artikel had de rechtbank de minister moeten veroordelen tot vergoeding van de bij haar in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. In dit kader verwijst appellant naar twee uitspraken van de Afdeling van 30 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2911 en ECLI:NL:RVS:2025:2912.
2.1. Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat, als een rechtbank vaststelt dat er een gebrek kleeft aan een besluit, maar zij aanleiding ziet om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb te passeren, zij het desbetreffende bestuursorgaan moet veroordelen tot vergoeding van de bij de betrokkene in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De Afdeling verwijst hiervoor naar bijvoorbeeld de uitspraak van 10 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1609, onder 1.1. In de door appellant genoemde uitspraken van 30 juni 2025 deed zich de situatie voor dat een proceskostenvergoeding moest worden toegekend omdat de rechtbank - uitdrukkelijk en in hoger beroep niet bestreden - toepassing had gegeven aan artikel 6:22 vanPro de Awb. In de situatie die bij appellant aan de orde is, heeft de rechtbank dat niet gedaan. In zoverre was er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
2.2. De rechtbank heeft een motiveringsgebrek vastgesteld en vervolgens met zoveel woorden de standaard belangenafweging gemaakt die in bewaringszaken wordt toegepast wanneer zich een gebrek voordoet dat niet rechtstreeks de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring of het voortduren ervan aantast. Hoewel de beoordeling die bij artikel 6:22 vanPro de Awb plaatsvindt, overeenkomsten kan vertonen met de belangenafweging bij bewaring, is die belangenafweging anders. Bij die belangenafweging worden de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen afgewogen tegen de met de bewaring gediende belangen, bezien naar de omstandigheden van het geval. Zie de onder 1 genoemde uitspraak van 2 november 2023, onder 4. Indien de uitkomst van de op die manier verrichte belangenafweging is dat het gebrek de maatregel van bewaring niet onrechtmatig maakt en het beroep ongegrond wordt verklaard, bestaat er geen aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180, onder 10. Zoals in die uitspraak ook is overwogen, moet wel een proceskostenveroordeling volgen indien zich een gebrek voordoet in het voortraject van de bewaring, dat wil zeggen een gebrek dat de staandehouding, ophouding of verlenging van de ophouding onrechtmatig maakt, maar het beroep tegen de maatregel niettemin ongegrond wordt verklaard. Het gaat in deze zaak echter niet om een dergelijk gebrek.
2.3. De conclusie is dat de rechtbank, gelet op de uitkomst van de door haar gemaakte belangenafweging, terecht tot het oordeel is gekomen dat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding bestaat. De grief slaagt niet.
3. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover de rechtbank geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. De minister hoeft ook in hoger beroep geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.