ECLI:NL:RVS:2026:1616

Raad van State

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
202501999/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet tijdig besluit mvv-aanvraag en proceskostenvergoeding

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De rechtbank heeft dit beroep gegrond verklaard en bepaald dat de minister vóór 30 juli 2026 een besluit moet nemen, met een dwangsom bij overschrijding.

Tegen dit vonnis stelde appellant hoger beroep in. Intussen heeft de minister op 1 augustus 2025 een mvv verleend, waardoor het belang bij het hoger beroep is komen te vervallen. De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk.

De Afdeling beoordeelt vervolgens of de minister de proceskosten moet vergoeden. Omdat de minister aan appellant tegemoet is gekomen door de mvv te verlenen, veroordeelt de Afdeling de minister tot vergoeding van de proceskosten, waarbij een wegingsfactor van 0,5 wordt toegepast.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het standpunt van de minister dat zij geen rechterlijke dwangsom kan krijgen, maar de Afdeling is onbevoegd hierover te oordelen en verwijst appellant naar de burgerlijke rechter.

De Afdeling besluit het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, zich onbevoegd te verklaren voor het dwangsomgeschil en de minister te veroordelen tot betaling van € 467 aan proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de mvv-aanvraag is niet-ontvankelijk verklaard en de minister is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202501999/1/V1.
Datum uitspraak: 20 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], mede voor haar minderjarige kinderen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 14 maart 2025 in zaak nr. NL25.1276 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
Bij uitspraak van 14 maart 2025 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, bepaald dat de minister vóór 30 juli 2026 alsnog een besluit op de aanvraag bekendmaakt en dat de minister een dwangsom moet betalen van € 100,00 voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Roelofsen, advocaat in Groningen, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 1 augustus 2025 heeft de minister aan appellant een mvv verleend.
Appellant heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep van appellant gaat uitsluitend over de duur van de door de rechtbank bepaalde beslistermijn voor het nemen van een besluit op de mvv-aanvraag in het kader van nareis.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Met de door de minister verleende mvv, heeft appellant bereikt wat zij met de mvv-aanvraag beoogt. Daarom heeft zij geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep.
3.       Niettemin zal de Afdeling beoordelen of zij de minister met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan appellant tegemoet is gekomen of als het belang anderszins door toedoen van de minister is vervallen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:570, onder 4).
4.       Het belang bij de beoordeling van het hoger beroep is vervallen, doordat de minister aan appellant een mvv heeft verleend. Daarmee is de minister aan appellant tegemoetgekomen. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
5.       De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
6.       De minister is in het besluit van 1 augustus 2025 geheel aan de aanvraag van appellant tegemoetgekomen. Wel heeft appellant in reactie op het besluit gesteld dat zij het niet eens is met dat besluit, voor zover de minister zich daarin op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen rechterlijke dwangsom krijgt, omdat de rechtbank nog geen uitspraak heeft gedaan op het door haar ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar mvv-aanvraag. Uit de uitspraken van de Afdeling van 10 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3591, onder 3.4, en 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2680, onder 6, volgt echter dat een vreemdeling zich tot de burgerlijke rechter moet wenden bij een geschil over de verschuldigdheid van een rechterlijke dwangsom. De Afdeling is in zoverre onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
II.       verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen, voor zover is verzocht om toekenning van een rechterlijke dwangsom;
III.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. J.C.A. de Poorter en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026
716-1095