ECLI:NL:RVS:2026:1494

Raad van State

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
202304945/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 62a Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering leeftijd en herkomst

Betrokkene, een Somalische asielzoeker, diende op 2 februari 2022 een asielaanvraag in in Nederland. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag op 3 juli 2023 af, legde een terugkeerbesluit op en vaardigde een inreisverbod uit. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het besluit en beval een nieuw besluit met inachtneming van haar uitspraak.

In hoger beroep betoogde betrokkene dat de minister zijn leeftijd en herkomst niet zorgvuldig had vastgesteld. De Afdeling oordeelde dat de leeftijdsschouw door AVIM niet zorgvuldig was uitgevoerd en dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom hij de leeftijdsregistratie uit Griekenland zonder nadere onderbouwing aannam. Ook was de motivering over de herkomst op basis van een taalanalyse onvoldoende, omdat de minister geen nadere reactie van de deskundige had gevraagd op het betoog over taalaccommodatie.

De Afdeling bevestigde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet verplicht tot automatische erkenning van asielbesluiten van andere EU-lidstaten. Het hoger beroep van de minister tegen het terugkeerbesluit werd ongegrond verklaard, omdat dit besluit niet standhield zonder een deugdelijke beoordeling van de asielaanvraag. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak en de proceskosten vergoeden.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering van leeftijd en herkomst; het terugkeerbesluit wordt bevestigd als onterecht.

Uitspraak

202304945/1/V1.
Datum uitspraak: 17 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1.       [betrokkene],
2.       de minister van Asiel en Migratie,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 1 augustus 2023 in zaak nr. NL23.19228 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 3 juli 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, hem opgedragen om Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 1 augustus 2023 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben betrokkene, vertegenwoordigd door mr. V.L. van Wieringen, advocaat in Groningen, en de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1.       Betrokkene heeft de Somalische nationaliteit. Hij heeft verklaard dat hij is geboren op [geboortedatum A] 2005 en afkomstig is uit de regio Halgan in Zuid-Somalië. Betrokkene heeft Somalië naar gesteld in oktober 2020 verlaten, na discriminatie wegens het behoren tot de minderheidsgroep Gaboye, en hij vreest onder meer voor rekrutering door [persoon]. Betrokkene is via Griekenland de Europese Unie ingereisd. De Griekse autoriteiten hebben naar aanleiding van een asielaanvraag van betrokkene aangenomen dat hij is geboren op 12 december 2002 en aan betrokkene op 22 januari 2021 internationale bescherming verleend. Betrokkene is vervolgens naar Oostenrijk doorgereisd. De Oostenrijkse autoriteiten hebben naar aanleiding van een asielaanvraag van betrokkene aangenomen dat hij is geboren op [geboortedatum B] 2003. Vervolgens is betrokkene Nederland ingereisd en heeft hij op 2 februari 2022 een asielaanvraag ingediend.
1.1.    De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat betrokkene volgens de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in aanmerking komt voor internationale bescherming. De minister heeft de door betrokkene gestelde identiteit en herkomst ongeloofwaardig geacht. Volgens de minister heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat hij is geboren op 14 april 2005, omdat de Griekse en Oostenrijkse autoriteiten die geboortedatum niet hebben geregistreerd en Bureau Documenten niet heeft kunnen vaststellen of de door betrokkene overgelegde documenten inhoudelijk juist zijn. Het gaat om een na de aanvraag overgelegde identiteitsbevestiging en een geboorteakte. Verder heeft betrokkene volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij uit Zuid-Somalië komt. De minister heeft dit standpunt gebaseerd op een rapport van het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT) van 3 april 2023 (taalanalyse), in samenhang bezien met een reactie van TOELT van 28 juni 2023 op de zienswijze van betrokkene. In de taalanalyse concludeert TOELT dat betrokkene op grond van zijn Somalisch eenduidig niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen Zuid-Somalië en beter te herleiden is tot Noord-Somalië (Somaliland). De minister heeft aangenomen dat betrokkene afkomstig is uit Noord-Somalië en zich op het standpunt gesteld dat betrokkene geen reëel risico loopt op ernstige schade of een gegronde vrees heeft voor vervolging als hij naar Noord-Somalië terugkeert. Volgens de minister heeft namelijk niet [persoon], maar de centrale overheid, de controle over Noord-Somalië.
1.2.    Het hoger beroep van betrokkene gaat over de vraag of de minister een zorgvuldig besluit heeft genomen, voor zover hij de identiteit en herkomst van betrokkene heeft beoordeeld. Daarnaast komt in het hoger beroep van betrokkene aan de orde of de minister de aanvraag van betrokkene had moeten inwilligen, omdat de Griekse autoriteiten eerder hebben geconcludeerd dat betrokkene in aanmerking komt voor internationale bescherming. Het hoger beroep van de minister gaat over de vraag of de minister terecht een terugkeerbesluit over betrokkene heeft genomen en terecht een inreisverbod tegen hem heeft uitgevaardigd, gelet op de door de Griekse autoriteiten aan betrokkene verleende internationale bescherming.
Het oordeel van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister in overeenstemming met zijn beleid over een leeftijdsschouw nader onderzoek heeft opgestart naar de leeftijd van betrokkene. Volgens de rechtbank heeft de minister in de verklaringen van betrokkene terecht geen aanleiding gezien om de Griekse autoriteiten te verzoeken om onderliggende brondocumenten. De rechtbank heeft overwogen dat de minister de verklaring van betrokkene dat de Griekse autoriteiten hem een andere geboortedatum hebben gegeven dan de geboortedatum op een overgelegde nationaliteitsverklaring, omdat dat beter bij hem zou passen, niet aannemelijk heeft mogen vinden. De rechtbank heeft daarbij ook relevant geacht dat betrokkene heeft verklaard dat de Oostenrijkse autoriteiten ook een andere geboortedatum hebben geregistreerd dan de geboortedatum die betrokkene heeft opgegeven. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister in beginsel heeft mogen uitgaan van de juistheid van de door de Griekse autoriteiten geregistreerde geboortedatum en dat het aan betrokkene is om de gestelde minderjarigheid aan te tonen met authentieke en identificerende documenten of een leeftijdsonderzoek. Betrokkene heeft alsnog een identiteitsbevestiging en geboorteakte overgelegd. Deze documenten heeft Bureau Documenten tweemaal onderzocht met wisselende conclusies in verklaringen van onderzoek van 18 augustus en 8 december 2022. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zijn standpunt dat betrokkene zijn identiteit met deze documenten niet heeft onderbouwd, ten onrechte heeft gebaseerd op de verklaring van onderzoek van 8 december 2022. De minister had nader moeten motiveren waarom Bureau Documenten deze documenten nogmaals heeft onderzocht en in het kader van zijn vergewisplicht inzichtelijk moeten maken waarop Bureau Documenten het verschil in de conclusies van de verklaringen van onderzoek heeft gebaseerd.
2.1.    Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister in zijn beoordeling van de herkomst van betrokkene heeft mogen afgaan op de taalanalyse. Volgens de rechtbank is de taalanalyse zorgvuldig tot stand gekomen, is de redenering daarin begrijpelijk en sluiten de getrokken conclusies daarop aan. De rechtbank heeft overwogen dat de minister voldoende heeft toegelicht dat TOELT een deel van de spraakopname niet heeft betrokken bij de taalanalyse en dit deel van de spraakopname daarom niet heeft bijgedragen aan het resultaat van de taalanalyse. Het ging om een deel waarin de tolk Noord-Somalische woorden had voorgezegd. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat betrokkene niet met stukken heeft onderbouwd of inzichtelijk heeft gemaakt dat hij geen contra-expertise kan laten opstellen.
2.2.    De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel tussen EU-lidstaten niet zo ver strekt dat het verplicht tot wederzijdse erkenning van asielbesluiten.
2.3.    De rechtbank heeft tot slot geoordeeld dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit over betrokkene heeft genomen en een inreisverbod tegen hem heeft uitgevaardigd. De rechtbank heeft overwogen dat artikel 62a van de Vw 2000 geen mogelijkheid biedt om bij voorbaat een terugkeerbesluit over een vreemdeling te nemen als een vreemdeling een verblijfsvergunning heeft in een andere EU-lidstaat, tenzij de openbare orde of nationale veiligheid een terugkeer vereist.
Het hoger beroep van betrokkene
De leeftijdsbeoordeling
3.       Betrokkene klaagt in grief 1 over de oordelen van de rechtbank dat de leeftijdsschouwen door de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) en de IND aanleiding gaven tot nader onderzoek en dat de minister niet gehouden was om te onderzoeken of de Griekse autoriteiten hun leeftijdsregistratie hebben gebaseerd op brondocumenten.
3.1.    Betrokkene voert terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de leeftijdsschouw door de AVIM niet inzichtelijk en concludent is. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3801, onder 11.1 en 16.1, volgt dat een medewerker voor een leeftijdsschouw het uiterlijk, de verklaringen en het gedrag van een vreemdeling in samenhang moet bezien en moet uitleggen hoe bevindingen en observaties hebben geleid tot een conclusie. Dat hebben de twee medewerkers van de AVIM ten onrechte niet gedaan in hun leeftijdsschouw van betrokkene. In het proces-verbaal van verhoor staat namelijk alleen een opsomming van uiterlijke kenmerken van betrokkene en een conclusie. Een omschrijving van het gedrag van betrokkene en uitleg over de conclusie ontbreekt. Dat betekent dat de AVIM de leeftijdsschouw van betrokkene niet zorgvuldig heeft uitgevoerd, zodat de schouwen van de AVIM en de IND samen geen volledige leeftijdsschouw vormen die bruikbaar is voor een leeftijdsbeoordeling van betrokkene. De minister heeft zijn standpunt dat twijfel bestaat over de leeftijd van betrokkene, daarom niet mogen baseren op de leeftijdsschouw. Uit eerdergenoemde uitspraak van 20 augustus 2025, onder 12.2, volgt dat de minister in zo’n geval moet blijven uitgaan van de presumptie van minderjarigheid van betrokkene en dat het aan de minister is om aannemelijk te maken dat betrokkene meerderjarig is.
3.2.    Het betoog van betrokkene over de leeftijdsschouw doet niet af aan het oordeel van de rechtbank dat de minister niet ten onrechte nader onderzoek heeft gedaan naar de leeftijd van betrokkene. De minister mag namelijk nader onderzoek doen naar de leeftijd van betrokkene als uit een leeftijdsregistratie van een andere lidstaat volgt dat betrokkene meerderjarig is. Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, onder 7.3.
3.3.    Betrokkene voert terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister bij het nader onderzoek naar zijn leeftijd had moeten onderzoeken of aan de leeftijdsregistratie in Griekenland een brondocument ten grondslag lag. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, onder 7.3, volgt namelijk dat, als de minister in het kader van leeftijdsonderzoek gewicht toekent aan een leeftijdsregistratie uit een andere EU-lidstaat, hij moet motiveren welk gewicht hij daaraan toekent en daarbij zo mogelijk moet toelichten waarop die leeftijdsregistratie is gebaseerd. De minister heeft al bij de Griekse autoriteiten nagevraagd waarop zij de leeftijdsregistratie van betrokkene hebben gebaseerd. De Griekse autoriteiten hebben daarover in hun reactie geen informatie gegeven. Het is aan de minister om die omstandigheid te betrekken in zijn motivering van het gewicht dat hij heeft toegekend aan de leeftijdsregistratie in Griekenland.
3.4.    Verder volgt uit eerdergenoemde uitspraak van 9 oktober 2024, onder 7.3, dat de minister alle feiten en omstandigheden moet meewegen bij zijn beoordeling van de leeftijd van een naar gesteld minderjarige vreemdeling, waaronder ook de door die vreemdeling overgelegde bewijsmiddelen. De rechtbank heeft onbestreden geoordeeld dat de minister zijn standpunt over de door betrokkene overgelegde bewijsmiddelen niet deugdelijk heeft gemotiveerd, in het licht van twee door Bureau Documenten afgegeven verklaringen van onderzoek.
3.5.    Grief 1 slaagt, omdat betrokkene terecht betoogt dat de minister het besluit van 3 juli 2023 ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De minister moet in een nieuw besluit op de aanvraag rekening houden met wat de Afdeling onder 3.3 en 3.4 heeft overwogen.
De taalanalyse
4.       Betrokkene klaagt in grief 2 over het oordeel van de rechtbank dat de minister zijn standpunt over zijn herkomst op de taalanalyse heeft mogen baseren.
4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, mag de minister afgaan op een deskundigenadvies, zoals de taalanalyse, als hij is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten (uitspraak van 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4302 onder 4.1). Een vreemdeling kan concrete aanknopingspunten naar voren brengen die leiden tot twijfel over de zorgvuldigheid van de totstandkoming, de begrijpelijkheid van de redenering en het aansluiten daarop van de conclusies. Als een vreemdeling die aanknopingspunten naar voren heeft gebracht, mag de minister niet zonder nadere motivering op het deskundigenadvies afgaan. Zo nodig moet de minister de deskundige om een reactie vragen op wat een vreemdeling over een deskundigenadvies heeft aangevoerd.
4.2.    Betrokkene voert tevergeefs aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij geen redelijke mogelijkheid heeft gehad om een contra-expertise te laten opstellen. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat betrokkene niet met documenten heeft onderbouwd dat geen deskundige bekend is die een contra-expertise kan en wil opstellen. Betrokkene onderbouwt dit in hoger beroep ook niet. Betrokkene stelt namelijk alleen dat de Taalstudio geen contra-expertise meer uitvoert en VluchtelingenWerk en de minister geen mogelijke deskundige hebben genoemd die een contra-expertise kan opstellen.
4.3.    Verder voert betrokkene tevergeefs aan dat de rechtbank ten onrechte zelf uit de taalanalyse heeft afgeleid dat hij niet uitgebreid, correct en gedetailleerd heeft verklaard over zijn herkomstgebied. De rechtbank heeft alleen weergegeven wat staat in de taalanalyse, onder 3.2 ‘Opmerking taalanalist/linguïst’, namelijk dat betrokkene zich niet in staat toont om uitgebreide, correcte en gedetailleerde informatie te verschaffen over zijn gestelde herkomstgebied. De rechtbank heeft aan die opmerking geen eigen conclusie verbonden en TOELT heeft die opmerking niet ten grondslag gelegd aan het resultaat van de taalanalyse. Uit de informatie in de ‘Vakbijlage Taalanalyse’, versie van mei 2020, ‘onder Landenkennis’, volgt dat TOELT een mate van landenkennis alleen aan het resultaat van de taalanalyse ten grondslag legt als TOELT dit expliciet heeft vermeld bij de toelichting op dat resultaat. Dat heeft TOELT niet gedaan in het geval van betrokkene. TOELT heeft onder 5 van de taalanalyse immers niet gewezen op landenkennis.
4.4.    Betrokkene voert terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij een concreet aanknopingspunt heeft aangevoerd voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de taalanalyse. Betrokkene heeft erop gewezen dat in de taalanalyse staat dat de ‘Noord-Somalische tolk’ in een deel van de spraakopname woorden in het ‘(Noord)-Somalisch’ heeft voorgezegd en TOELT dit deel van de spraakopname daarom niet heeft gebruikt in de taalanalyse. Betrokkene stelt dat deze manier van onderzoek het verschijnsel van taalaccommodatie uitlokt, dat wil zeggen dat een vreemdeling zijn taalgebruik aanpast aan dat van een tolk. Betrokkene wijst er terecht op dat TOELT niet heeft uitgelegd waarom het voorzeggen van woorden door de tolk geen invloed heeft gehad op de bruikbaarheid van de rest van de spraakopname voor een zorgvuldige taalanalyse. Weliswaar heeft de minister TOELT gevraagd om te reageren op de zienswijze van betrokkene, maar omdat betrokkene zijn betoog over taalaccommodatie voor het eerst naar voren heeft gebracht in het aanvullend beroepschrift van 11 juli 2023, heeft TOELT hierover geen uitleg kunnen geven. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister ten onrechte geen nadere reactie van TOELT heeft gevraagd om zich ervan te vergewissen dat de taalanalyse zorgvuldig tot stand is gekomen.
4.5.    Grief 2 slaagt.
Internationale bescherming in Griekenland
5.       Betrokkene klaagt in grief 3 over het oordeel van de rechtbank dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet verplicht tot wederzijdse erkenning van asielbesluiten. De Afdeling heeft de door betrokkene in grief 3 opgeworpen rechtsvraag beantwoord in haar uitspraak van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2865, onder 3. De Afdeling heeft in die uitspraak geoordeeld dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 18 juni 2024, QY, ECLI:EU:C:2024:524, voor de minister geen verplichting volgt om bij de beoordeling van een asielaanvraag een door Griekenland toegekende vluchtelingenstatus automatisch te erkennen en over te nemen. Daarom voert betrokkene in grief 3 tevergeefs aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister de conclusie van de door Griekenland gemaakte asielbeoordeling had moeten overnemen.
5.1.    Grief 3 slaagt niet.
Het hoger beroep van de minister
6.       De minister klaagt in zijn enige grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit heeft genomen. Uit het oordeel van de Afdeling over de grieven van betrokkene volgt dat de rechtbank het besluit van 3 juli 2023 terecht heeft vernietigd gelet op gebreken in de motivering van de door de minister gemaakte leeftijds- en herkomstbeoordeling. Alleen al daarom houdt het in het besluit van 3 juli 2023 door de minister genomen terugkeerbesluit geen stand. Pas als de minister een nieuw besluit op de asielaanvraag van betrokkene neemt en die aanvraag afwijst, ligt weer de vraag voor of de minister een terugkeerbesluit over betrokkene mag nemen. De door de minister in zijn grief opgeworpen rechtsvraag behoeft gelet hierop verder geen bespreking.
6.1.    De grief slaagt niet.
Conclusie
7.       Het hoger beroep van betrokkene is gegrond. Het hoger beroep van de minister is ongegrond. Betrokkene komt niet op tegen de beslissing van de rechtbank, inhoudende de vernietiging van het besluit van 3 juli 2023 en de opdracht aan de minister om een nieuw besluit te nemen. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de rechtbank, voor zover betrokkene en de minister laatstgenoemde uitspraak niet of tevergeefs hebben aangevallen. De minister komt op tegen de beslissing van de rechtbank over het terugkeerbesluit. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover door de minister aangevallen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep van betrokkene gegrond;
II.       verklaart het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie ongegrond;
III.      bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover door de minister van Asiel en Migratie aangevallen;
IV.     veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Jongeneel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026
958