AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens belangenafweging gezinsleven
Betrokkenen, drie Eritrese minderjarigen, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij hun tante en pleegmoeder in Nederland te verblijven. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvragen af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank vernietigde dit besluit en veroordeelde de minister tot het verstrekken van de mvv en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank de motivering van de minister niet volledig had betrokken en dat het eerdere oordeel onjuist was uitgelegd. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond.
De Afdeling beoordeelde vervolgens het beroep van betrokkenen en concludeerde dat de minister een deugdelijke belangenafweging had gemaakt. De minister had terecht meegewogen dat het gezinsleven in de loop der tijd was afgenomen, dat betrokkenen banden met Ethiopië hebben en dat zij ten laste van de Nederlandse economie zullen komen. Het beroep van betrokkenen werd ongegrond verklaard.
Betrokkenen hadden ook een verzoek om aanvullende schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediend, maar aangezien de rechtbank al een hogere vergoeding had toegekend, wees de Afdeling dit verzoek af.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van betrokkenen ongegrond en wees het verzoek om aanvullende schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkenen ongegrond verklaard.
Uitspraak
202405787/1/V2.
Datum uitspraak: 3 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 15 augustus 2024 in zaak nr. NL24.8062 in het geding tussen:
[betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 18 augustus 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 14 maart 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 18 augustus 2020 herroepen, de minister opgedragen om betrokkenen in het bezit te stellen van de gevraagde machtiging tot voorlopig verblijf en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 14 maart 2024. Ook heeft zij de minister veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 3.000,00 aan betrokkenen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. A.W.M. van de Wouw, advocaat in Chaam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene 1, geboren op [geboortedatum] 2003, betrokkene 2, geboren op [geboortedatum] 2004, en betrokkene 3, geboren op [geboortedatum] 2007, hebben de Eritrese nationaliteit. Zij beogen verblijf in Nederland bij hun tante, die ook hun pleegmoeder is (referent). Referent is met ingang van 9 oktober 2018 in het bezit van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van nareis met een van haar dochters, die in Nederland woont. Referent heeft aanvankelijk de zorg voor betrokkenen op zich genomen na het overlijden van hun biologische moeder in november 2011. In september 2015 is referent met haar eigen kinderen vertrokken naar Soedan. Betrokkenen heeft zij toen in Eritrea achtergelaten bij haar schoonzus. Na haar terugkeer in Eritrea, heeft referent betrokkenen op enig moment in een weeshuis ondergebracht. Referent heeft Eritrea rond september 2017 definitief verlaten. In 2021 zijn betrokkenen vanuit het weeshuis naar Ethiopië gereisd. Betrokkene 1 is daar slachtoffer geworden van een verkrachting waardoor zij zwanger is geraakt. Op 31 oktober 2019 heeft referent aanvragen om verlening van een mvv voor betrokkenen ingediend. Ten tijde van de uitspraak van de rechtbank woonden betrokkenen in Ethiopië op een compound.
2. De minister neemt aan dat er tussen betrokkenen en referent gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM, maar stelt zich op het standpunt dat de belangen van de Nederlandse staat zwaarder wegen dan het belang van betrokkenen om het gezinsleven met referent in Nederland uit te oefenen. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van betrokkenen heeft laten uitvallen.
3. De minister heeft het besluit op bezwaar van 14 maart 2024 genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 14 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5659, waarbij de rechtbank het eerdere besluit op bezwaar van 7 oktober 2022 heeft vernietigd. Volgens de rechtbank had de minister in dat besluit geen deugdelijk gemotiveerde belangenafweging verricht, omdat hij onvoldoende kenbaar rekening had gehouden met de bijzondere omstandigheden waarin betrokkenen en referent zich bevinden. Zo overwoog de rechtbank dat, anders dan waarvan de minister was uitgegaan, niet onaannemelijk is dat er tussen referent en betrokkenen in de periode tussen september 2015 en september 2017 intensief gezinsleven is geweest. Wel volgde zij het standpunt van de minister dat betrokkenen en referent in de periode na het vertrek van referent naar Nederland, rond september 2017, geen intensief gezinsleven meer hebben uitgeoefend. Ook had de minister volgens de rechtbank ten onrechte aangenomen dat er geen onoverkomelijke belemmering bestaat om het gezinsleven in Eritrea uit te oefenen, en had hij nagelaten om in de belangenafweging te betrekken dat betrokkenen illegaal in Ethiopië verblijven en mogelijk niet naar Eritrea kunnen terugkeren vanwege hun illegale uitreis. Tot slot had de minister volgens de rechtbank omstandigheden die het gevolg zijn van de aan hem te wijten lange duur van de procedure, ten onrechte in het nadeel van betrokkenen gewogen. De minister had daarom niet bij zijn besluit mogen betrekken dat betrokkene 1 en betrokkene 2 inmiddels meerderjarig waren geworden, waardoor er volgens de Eritrese wetgeving geen pleegsituatie meer is en niet aannemelijk is dat betrokkene 1 door de verkrachting opnieuw afhankelijk is geworden van referent, aldus de rechtbank.
4. In het besluit van 14 maart 2024, waar de nu bestreden rechtbankuitspraak over gaat, heeft de minister de belangenafweging opnieuw in het nadeel van betrokkenen laten uitvallen. De minister heeft daarbij in het voordeel van betrokkenen gewogen dat er gezinsleven bestaat tussen betrokkenen en referent, dat er een onoverkomelijke belemmering bestaat om dat gezinsleven in Eritrea uit te oefenen en dat er bijzondere omstandigheden spelen rondom betrokkene 1, namelijk dat zij in Ethiopië is verkracht als gevolg waarvan zij een kind heeft gekregen. De minister heeft echter zwaar in het nadeel van betrokkenen gewogen dat de aard en intensiteit van het gezinsleven tussen hen en referent in de loop van de tijd sterk is afgenomen, dat zij banden hebben met Ethiopië en dat betrokkenen ten laste van de openbare kas zullen komen als zij worden toegelaten tot Nederland.
5. Volgens de rechtbank is het besluit in strijd met artikel 7:12 vanPro de Awb doordat de minister zijn belangenafweging niet deugdelijk heeft gemotiveerd, met name waar het gaat om zijn standpunt dat het gezinsleven in aard en intensiteit is afgenomen met voorbijgaan aan haar eerdere oordeel dat de lange duur van de procedure niet ten nadele van betrokkenen mag worden meegewogen. Ook heeft de minister zich niet op het standpunt kunnen stellen dat het gezinsleven in Ethiopië kan worden uitgeoefend. De rechtbank heeft aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien, omdat de minister volgens haar onvoldoende gevolg heeft gegeven aan haar eerdere uitspraak van 14 april 2023, zij het beroep voor de tweede keer gegrond verklaart op het punt van de belangenafweging, de procedure door toedoen van de minister al lang heeft geduurd en betrokkenen zich in Ethiopië in zorgelijke omstandigheden bevinden.
Het hoger beroep van de minister
6. De enige grief van de minister richt zich tegen het onder 5 weergegeven oordeel van de rechtbank. De minister betoogt onder meer dat de rechtbank ten onrechte een motiveringsgebrek heeft geconstateerd.
Het oordeel van de Afdeling
6.1. De minister betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte een motiveringsgebrek heeft geconstateerd, omdat zij niet de volledige motivering van het standpunt van de minister in haar oordeel heeft betrokken, en de rechtbankuitspraak van 14 april 2023 en het besluit van 14 maart 2024 op onderdelen onjuist heeft uitgelegd. Daarom slaagt de grief. De Afdeling legt dat hierna uit.
6.2. De minister betoogt allereerst terecht dat het oordeel van de rechtbank in haar eerdere uitspraak van 14 april 2023, dat niet onaannemelijk is dat er in de periode van september 2015 tot september 2017 intensief gezinsleven bestond tussen referent en betrokkenen, hem ruimte laat om in het besluit van 14 maart 2024 een ander standpunt in te nemen, mits van een deugdelijke motivering voorzien. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de minister zich voor de motivering van zijn standpunt, dat er in die periode toch geen sprake was van intensief gezinsleven, niet beperkt tot het argument dat de in Nederland wonende dochter van referent tijdens haar asielprocedure in 2017 betrokkenen niet heeft genoemd als haar pleegzussen. In het bij de rechtbank ingediende verweerschrift van 26 juli 2024 heeft de minister er namelijk ook op gewezen dat referent in de periode van september 2015 tot september 2017 twee keer vrijwillig en zonder betrokkenen uit Eritrea is vertrokken, dat uit de verklaringen van betrokkene 1 en betrokkene 2 valt af te leiden dat zij in die periode niet bij referent waren en dat de dochter, bij wie referent in Nederland verblijft, heeft verklaard dat referent in ieder geval op 13 april 2016 nog in Soedan was. Dat, zoals betrokkenen in hun schriftelijke uiteenzetting betogen, betrokkene 1 en betrokkene 2 die periode anders hebben ervaren, betekent niet dat de minister aan hun verklaringen niet de waarde mocht hechten die hij eraan heeft toegekend. Zoals de minister in het verweerschrift heeft toegelicht, was betrokkene 1 ten tijde van de gehoren 18 jaar en betrokkene 2 bijna 18 jaar oud en hebben zij hun verklaringen onafhankelijk van elkaar afgelegd. Verder is, anders dan betrokkenen in hun schriftelijke uiteenzetting betogen, niet uitgesloten dat de minister de motivering van een besluit aanvult in een verweerschrift, zoals hij in dit geval heeft gedaan. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 21 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:714, onder 2.4.4. De minister betoogt daarom terecht dat de rechtbank deze nadere motivering ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.
6.3. De minister klaagt voorts terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat er na de uitreis van betrokkenen naar Ethiopië in 2021, niet opnieuw sprake was van intensief gezinsleven, omdat zij die uitreis niet vooraf met referent hadden besproken. De minister voert terecht aan dat dit oordeel niet in lijn is met de eerdere uitspraak van de rechtbank van 14 april 2023, onder 10.1. Daar heeft de rechtbank namelijk het standpunt van de minister gevolgd dat referent en betrokkenen in de periode vanaf het vertrek van referent naar Nederland geen intensief gezinsleven hebben uitgeoefend, en dat de minister daarbij onder andere in aanmerking heeft kunnen nemen dat betrokkenen op eigen initiatief en zonder overleg met referent uit het weeshuis in Eritrea naar Ethiopië zijn vertrokken. Dit staat in rechte vast en er is niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden. Dat er geen overleg is geweest, omdat er werd gevochten en er zich een buitenkans voordeed om naar Ethiopië te reizen, was ten tijde van de rechtbankuitspraak van 14 april 2023 al bekend. Die omstandigheden heeft referent immers tijdens de hoorzitting in bezwaar van 18 oktober 2021 naar voren gebracht, en dit zijn dus geen nieuwe omstandigheden op basis waarvan kan worden aangenomen dat er vanaf 2021 opnieuw intensief gezinsleven tussen referent en betrokkenen bestond. Daarnaast wijst de minister er terecht op dat hij bij zijn standpunt, dat er na 2021 niet opnieuw sprake was van intensief gezinsleven, ook heeft betrokken dat referent er niet van op de hoogte was dat betrokkene 1 slachtoffer was geworden van een verkrachting en daardoor zwanger was geraakt. Dit argument heeft de rechtbank ten onrechte niet bij haar oordeel betrokken.
6.4. Verder betoogt de minister terecht dat de overweging van de rechtbank, dat de minister haar eerdere uitspraak van 14 april 2023 niet in acht heeft genomen door opnieuw de duur van de periode waarin referent en betrokkenen op afstand contact met elkaar hebben onderhouden in hun nadeel te wegen, berust op een onjuiste uitleg van die eerdere uitspraak en het besluit van 14 maart 2024. In haar uitspraak van 14 april 2023 heeft de rechtbank slechts overwogen dat de minister als gevolg van de lange duur van de procedure niet in het nadeel van betrokkene 1 en betrokkene 2 had mogen wegen dat zij ten tijde van het besluit van 7 oktober 2022 inmiddels meerderjarig waren. Dat heeft de minister in het besluit van 14 maart 2024 niet meer gedaan. Wel heeft de minister zich in dat besluit op het standpunt gesteld dat referent en betrokkenen op afstand contact met elkaar kunnen blijven onderhouden, zoals zij dat sinds het vertrek van referent uit Eritrea in 2017 hebben gedaan. Dat is een ander argument dan de omstandigheid dat beide betrokkenen inmiddels meerderjarig zijn. Van strijdigheid met wat de rechtbank in haar eerdere uitspraak heeft overwogen is dan ook geen sprake.
6.5. De minister voert tot slot terecht aan dat, voor zover de rechtbank heeft overwogen dat de minister bepaalde omstandigheden niet ten onrechte in het nadeel van betrokkenen heeft gewogen, de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat, waar het de economische belangen van Nederland betreft, de minister deze zwaar in het nadeel van betrokkenen heeft gewogen. De minister heeft de economische belangen van Nederland dus zwaarder in het nadeel van betrokkenen gewogen in de belangenafweging, dan de rechtbank heeft overwogen. De minister heeft daarbij in aanmerking genomen dat betrokkenen voor langere tijd gebruik zullen maken van met publieke middelen gefinancierde voorzieningen wanneer zij in Nederland zijn.
6.6. De grief slaagt.
Conclusie hoger beroep
7. De rechtbank heeft bij haar oordeel niet de volledige motivering van het standpunt van de minister betrokken en de eerdere uitspraak van de rechtbank van 14 april 2023 en het besluit van 14 maart 2024 op onderdelen onjuist uitgelegd. Het hoger beroep is alleen al daarom gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig om dat wat de minister verder heeft aangevoerd te bespreken. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep van betrokkenen
8. Het beroep van betrokkenen strekt ertoe dat de minister geen evenwichtige belangenafweging heeft verricht en deze ten onrechte in hun nadeel heeft laten uitvallen. Omdat betrokkenen geen hoger beroep hebben ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, gaat de Afdeling er bij de beoordeling of de belangenafweging de rechterlijke toets kan doorstaan van uit dat de minister niet ten onrechte in het nadeel van betrokkenen heeft gewogen dat er sprake is van een verzoek om eerste toelating, dat zij, op familieleden na, geen banden hebben met Nederland en dat zwaar in het nadeel van betrokkenen weegt dat zij ten laste zullen komen van de Nederlandse economie als zij tot Nederland zouden worden toegelaten. Verder staat vast dat de minister in het voordeel van betrokkenen heeft gewogen dat er tussen hen en referent gezinsleven bestaat.
9. Betrokkenen betogen allereerst dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de aard en intensiteit van het gezinsleven tussen hen en referent in de loop van de tijd sterk is afgenomen en dat dit zwaar in hun nadeel weegt.
Periode september 2015 tot september 2017
9.1. Met de onder 6.2 weergegeven argumenten heeft de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat betrokkenen niet aannemelijk hebben gemaakt dat er van september 2015 tot september 2017, sprake was van intensief gezinsleven tussen hen en referent. Anders dan betrokkenen betogen, mocht de minister bij dit standpunt ook de verklaringen uit het asielgehoor van de in Nederland wonende dochter van referent betrekken. Dat de dochter van referent ten tijde van dat gehoor pas 14 jaar oud was en dat zij betrokkenen niet als haar halfzussen maar als haar nichtjes zag, laat onverlet dat uit haar verklaringen niet blijkt dat betrokkenen deel uitmaakten van het gezin waartoe zij behoorde, toen zij in september 2015 uit Eritrea vertrok.
Periode vanaf september 2017
9.2. Ook heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat vanaf het moment dat referent Eritrea definitief heeft verlaten, rond september 2017, er geen sprake is geweest van intensief gezinsleven tussen referent en betrokkenen. Zoals onder 6.3 is overwogen, heeft de rechtbank in haar uitspraak van 14 april 2023 onder 10.1 geoordeeld dat zij dit standpunt kan volgen en dat de minister daarbij in aanmerking heeft kunnen nemen dat betrokkenen in 2021 op eigen initiatief en zonder overleg met referent het weeshuis in Eritrea hebben verlaten en zijn vertrokken naar Ethiopië. Betrokkenen hebben nadien geen feiten of omstandigheden aangevoerd die moeten leiden tot een ander oordeel. Anders dan betrokkenen betogen, was er daarom geen aanleiding voor de minister voor een aanvullend onderzoek in bijvoorbeeld de vorm van een nieuwe hoorzitting in bezwaar.
9.3. De beroepsgrond slaagt niet.
Uitoefening van gezinsleven in Nederland
10. Verder betogen betrokkenen dat de minister ten onrechte in hun nadeel heeft gewogen dat het gezinsleven niet in Nederland uitgeoefend hoeft te worden, omdat referent niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij hen ook tijdens hun verblijf in het weeshuis financieel heeft ondersteund. Dit betoog berust op een onjuiste lezing van het besluit van 14 maart 2024. De minister heeft zich namelijk ook op het standpunt gesteld dat, als referent de financiële ondersteuning van betrokkenen zowel tijdens hun verblijf in het weeshuis als daarna aannemelijk zou hebben gemaakt, dit nog niet maakt dat die ondersteuning moet worden stopgezet en dat referent daarmee heeft laten zien dat zij een manier heeft gevonden om betrokkenen op afstand te ondersteunen. Bij zijn standpunt dat betrokkenen voor de uitoefening van gezinsleven niet naar Nederland hoeven te komen, heeft de minister verder niet ten onrechte van belang gevonden dat referent, voorafgaand aan de indiening van de mvv-aanvragen, op 31 oktober 2019, al twee jaar op afstand invulling had gegeven aan het gezinsleven met betrokkenen.
10.1. De beroepsgrond slaagt niet.
Onoverkomelijke belemmering en banden met land van herkomst
11. Betrokkenen betogen tevergeefs dat de minister in de belangenafweging eraan voorbij is gegaan dat zij door hun illegale uitreis uit Eritrea niet naar dat land kunnen terugkeren. De minister heeft deze omstandigheid namelijk betrokken bij zijn standpunt dat er een onoverkomelijke belemmering bestaat om het gezinsleven in Eritrea uit te oefenen. In dit verband heeft hij zich in het verweerschrift niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat die onoverkomelijke belemmering slechts licht in het voordeel van betrokkenen weegt, omdat is gebleken dat het gezinsleven in Ethiopië en op afstand kan worden voortgezet. Betrokkenen hebben niet toegelicht waarom die onoverkomelijke belemmering maakt dat hun banden met Eritrea in hun voordeel zouden moeten wegen.
11.1. De beroepsgrond slaagt niet.
Banden met derde land
12. Wat betreft het betoog van betrokkenen dat de minister de banden met Ethiopië ten onrechte in hun nadeel heeft gewogen, heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat, doordat betrokkenen al langere tijd in Ethiopië verblijven en daar contacten hebben, zij inmiddels enige banden met dat land hebben opgebouwd. Anders dan betrokkenen betogen, heeft de minister zich niet op het standpunt gesteld dat die banden sterk zijn en heeft hij deze banden niet ten onrechte in hun nadeel gewogen. Voor zover betrokkenen betogen dat zij illegaal in Ethiopië verblijven, heeft de minister er ter zitting bij de rechtbank terecht op gewezen dat zij dit niet met stukken hebben onderbouwd of anderszins aannemelijk hebben gemaakt. Betrokkenen zijn in 2021 naar Ethiopië gereisd en hebben volgens referent een identiteitsdocument gekregen. Dat wijst erop dat zij in Ethiopië zijn geregistreerd.
12.1. De beroepsgrond slaagt niet.
Bijzondere omstandigheden
13. Tot slot betogen betrokkenen dat de minister aan de omstandigheden dat betrokkene 1 slachtoffer is geworden van verkrachting, zwanger is geraakt en een kind heeft gekregen, meer gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. De minister heeft deze omstandigheden niet ten onrechte slechts licht in het voordeel van betrokkenen gewogen, omdat betrokkenen niet voldoende hebben uitgelegd waarom deze omstandigheden en de steun die referent op afstand biedt bij de opvoeding van het kind van betrokkene 1, maken dat betrokkene 1 dusdanig afhankelijk is geworden van referent dat de belangenafweging in hun voordeel zou moeten uitvallen. Anders dan betrokkenen veronderstellen, is het standpunt van de minister niet in strijd met wat de rechtbank heeft overwogen in haar eerdere uitspraak van 14 april 2023, onder 10.4. De minister heeft bij zijn standpunt, dat er geen sprake is van een toegenomen afhankelijkheid van referent, immers niet meer betrokken dat betrokkene 1 inmiddels meerderjarig is.
13.1. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie beroep
14. De Afdeling oordeelt dat de minister zich in het besluit van 14 maart 2024 deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de belangen van de Nederlandse staat zwaarder wegen dan de belangen van betrokkenen om het gezinsleven met referent in Nederland uit te oefenen. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Verzoek om vergoeding van immateriële schade
15. Betrokkenen hebben het oordeel van de rechtbank over schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn niet bestreden. Zij hebben de Afdeling in hun schriftelijke uiteenzetting verzocht te beoordelen of zij recht hebben op een aanvullende schadevergoeding.
15.1. De redelijke termijn is in beginsel overschreden als de totale duur vanaf het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan tot de datum van de uitspraak in hoger beroep langer dan vier jaar heeft geduurd. De daarbij behorende schadevergoeding is € 500,00 per (deel van een) half jaar overschrijding. Er is aanleiding voor een aanvullende schadevergoeding als het bedrag dat de rechtbank wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft toegekend, lager is dan het door de Afdeling vast te stellen bedrag waar een verzoeker ten tijde van de beslissing op het hoger beroep recht op heeft.
15.2. De minister heeft het bezwaarschrift van betrokkenen ontvangen op 7 september 2020. Op het moment van de uitspraak van de Afdeling is de totale duur van de procedure ruim vijf jaar en vijf maanden. Dat betekent dat de redelijke termijn met ruim zeventien maanden is overschreden en dat betrokkenen in totaal recht zouden hebben op een bedrag van € 1.500,00. De rechtbank heeft de minister in haar uitspraak van 16 augustus 2024 al veroordeeld tot een schadevergoeding van € 3.000,00. Om die reden hebben betrokkenen geen recht op een aanvullende schadevergoeding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 15 augustus 2024 in zaak nr. NL24.8062;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om aanvullende schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.