202500442/1/V2.
Datum uitspraak: 12 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 15 januari 2025 in zaak nr. NL24.33125 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 2 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 15 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister en betrokkene hebben op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak nr. 202404322/1/V2 ter zitting behandeld op 4 november 2025, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. T.L. Schuitemaker en mr. J.V. de Kort, advocaat in Den Haag, en betrokkene, bijgestaan door mr. F. Maleki, advocaat in Hoofddorp, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene heeft de Iraanse nationaliteit. Aan zijn opvolgende asielaanvraag heeft hij zijn afvalligheid van de islam ten grondslag gelegd en zijn verdere groei in het christelijke geloof. Verder heeft hij aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij lid is geworden van een politieke actiegroep en dat hij deelneemt aan demonstraties die gericht zijn tegen de Iraanse autoriteiten.
1.1. De minister heeft de asielaanvraag van betrokkene afgewezen. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat betrokkene de geloofsgroei niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister acht de afvalligheid van de islam en de politieke overtuiging wel geloofwaardig. Ook acht de minister het geloofwaardig dat betrokkene op sociale media wordt bedreigd. De minister volgt betrokkene echter niet in zijn stelling dat hij hiermee in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten is komen te staan.
Het oordeel van de rechtbank
2. De rechtbank heeft erop gewezen dat de minister de afvalligheid van betrokkene in deze procedure geloofwaardig heeft geacht en dat de minister daarmee een ontwikkeling in het geloof van betrokkene heeft aangenomen. Volgens de rechtbank had de minister dit moeten betrekken bij de beoordeling van de vraag of betrokkene is gegroeid in zijn christelijke geloof. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat er in het geheel geen sprake is van geloofsgroei. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat betrokkene het risico loopt om bij terugkeer door de Iraanse autoriteiten te worden ondervraagd en dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene, gelet op zijn afvalligheid, politieke activiteiten en deelname aan demonstraties, daardoor geen gegronde vrees heeft voor vervolging. Zij heeft de minister de opdracht gegeven om te onderzoeken hoe het eraan toegaat aan de Iraanse grens en aan de hand daarvan een nieuw besluit te nemen.
Het hoger beroep van de minister
3. De minister is het niet eens met dit oordeel van de rechtbank. In zijn eerste grief betoogt hij dat de rechtbank heeft miskend dat de afvalligheid van betrokkene een afzonderlijk asielmotief is en daardoor los van de bekering beoordeeld mocht worden. Daarnaast betoogt de minister dat de rechtbank onvoldoende terughoudend is geweest door te oordelen dat niet kan worden gezegd dat er in het geheel geen sprake is van geloofsgroei.
3.1. De klacht in de eerste grief is terecht voorgedragen. De minister wijst er allereerst terecht op dat betrokkene heeft verklaard dat hij zich in 2010 heeft afgewend van de islam en dat hij vervolgens pas in 2015 is bekeerd tot het christendom. De afvalligheid en bekering bestaan dus uit twee duidelijk te onderscheiden fasen en de motieven voor de afvalligheid zijn duidelijk te onderscheiden van de motieven voor de bekering. De minister heeft de afvalligheid in dit geval daarom terecht afzonderlijk van de bekering beoordeeld. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:280, onder 6. Daarnaast heeft de minister met het geloofwaardig achten van de afvalligheid geen ontwikkeling in het geloof van betrokkene aangenomen. Het geloofwaardig achten van de afvalligheid betekent immers nog niet dat betrokkene daarmee ten opzichte van de vorige procedure in zijn geloof is gegroeid. De afvalligheid heeft immers ver voor de vorige procedure en de gestelde bekering plaatsgevonden. De rechtbank is dan ook ten onrechte tot de conclusie gekomen dat de minister de afvalligheid in samenhang met de geloofsgroei had moeten beoordelen. 3.2. De rechtbank heeft daarnaast ten onrechte overwogen dat niet gezegd kan worden dat er in het geheel geen sprake is van geloofsgroei omdat betrokkene zich nog steeds actief aan het verdiepen is in het christelijke geloof. De minister betoogt terecht dat de rechtbank daarmee haar eigen oordeel in de plaats van dat van de minister heeft gesteld. De minister heeft immers deugdelijk gemotiveerd dat de verklaringen van betrokkene over zijn geloof grotendeels een herhaling zijn van zijn verklaringen uit de eerdere procedure en dat deze daarom geen geloofsgroei laten zien.
3.3. De klachten zijn terecht voorgedragen, maar de grief leidt niet tot het daarmee beoogde doel. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene, gelet op zijn afvalligheid, bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 12 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1326, waarin zij heeft geoordeeld dat de minister nader onderzoek moet doen naar de situatie van afvalligen en atheïsten in Iran. De rechtbank is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat de minister nader onderzoek moet doen en vervolgens een nieuw besluit op de aanvraag moet nemen. Dit betekent dat de tweede, derde en vierde grief van de minister falen. Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. Dit betekent dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag moet nemen en, als hij zijn standpunt handhaaft, dit nader moet motiveren aan de hand van onderzoek naar de actuele situatie van afvalligen en atheïsten in Iran. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Koelman, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Koelman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026
1021