AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onjuiste toepassing veilig land van herkomst-regeling
Appellant, een Senegalese asielzoeker, diende een aanvraag in die door de minister werd afgewezen op grond van de versnelde procedure voor veilige landen van herkomst, waarbij Senegal als zodanig was aangewezen met uitzonderingen voor bepaalde groepen. De rechtbank bevestigde deze afwijzing, maar het hoger beroep stelde dat deze aanwijzing niet strookt met de EU Procedurerichtlijn, zoals bevestigd in het arrest Alace van het Hof van Justitie.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de aanwijzing van Senegal als veilig land van herkomst met uitzonderingen niet verenigbaar is met de Procedurerichtlijn, waardoor artikel 3.37f, vierde lid, van het VV 2000 onverbindend is. De Afdeling vernietigde daarom het besluit van de minister en de uitspraak van de rechtbank.
Ondanks de vernietiging blijft het besluit in stand op basis van een andere grondslag voor kennelijk ongegrondheid wegens inconsequente en tegenstrijdige verklaringen van appellant. De Afdeling concludeerde dat appellant niet benadeeld is door de versnelde procedure, omdat hij voldoende gelegenheid heeft gehad zijn verhaal te doen.
De minister is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. De uitspraak verduidelijkt de gevolgen van het arrest Alace voor de Nederlandse asielprocedure en de toepassing van de versnelde procedure bij veilige landen van herkomst.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.
Uitspraak
202501495/1/V3.
Datum uitspraak: 16 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 maart 2025 in zaak nr. NL24.48510 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 10 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.W. IJland, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Op verzoek van de Afdeling hebben de minister en appellant schriftelijk gereageerd op het arrest van het Hof van Justitie van 1 augustus 2025, Alace, ECLI:EU:C:2025:591.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant heeft de Senegalese nationaliteit en heeft in Nederland asiel aangevraagd. Deze aanvraag is in een versnelde grensprocedure behandeld. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van appellant geloofwaardig geacht. De gestelde problemen in Senegal en de vrees bij terugkeer heeft de minister ongeloofwaardig geacht. De minister heeft daarbij betrokken dat appellant geen documenten heeft overgelegd en dat zijn verklaringen inconsequent en tegenstrijdig zijn. Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat Senegal in het algemeen en voor appellant in het bijzonder een veilig land van herkomst is. Senegal is namelijk op grond van artikel 3.37f, vierde lid, aanhef en onder a, van het VV 2000 aangemerkt als een veilig land van herkomst, behalve voor personen die behoren tot de LHBTIQ+-gemeenschap en personen die te maken krijgen met strafrechtelijke vervolging. Appellant heeft echter niet gesteld tot een van deze categorieën te behoren. De minister heeft de asielaanvraag daarom als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b en e, van de Vw 2000.
1.1. In deze uitspraak licht de Afdeling toe dat het aanwijzen van een land als veilig land van herkomst met uitzondering van specifieke categorieën van personen, zich niet verdraagt met de Procedurerichtlijn. Daarbij betrekt de Afdeling het arrest Alace.
2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
De uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door appellant gestelde problemen in Senegal ongeloofwaardig zijn, omdat appellant daarover wisselend en summier heeft verklaard. Bovendien heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank niet met stukken onderbouwd dat de Senegalese autoriteiten hem geen bescherming zouden kunnen bieden als dat nodig zou zijn. De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat de minister Senegal niet ten onrechte heeft aangemerkt als veilig land van herkomst. Hoewel het Hof in het arrest van 4 oktober 2024, CV, ECLI:EU:C:2024:841, heeft geoordeeld dat artikel 37 vanPro de Procedurerichtlijn in de weg staat aan de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst als bepaalde delen van het grondgebied van dat land niet veilig zijn, ziet de rechtbank in dat arrest geen aanleiding om af te wijken van de vaste rechtspraak van de Afdeling dat het wél mogelijk is om een land als veilig land van herkomst aan te wijzen als het daar voor een of meer groepen personen niet veilig is. Zij wijst in dit kader onder meer op de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:210. De minister heeft de asielaanvraag van appellant dan ook als kennelijk ongegrond kunnen afwijzen, aldus de rechtbank.
Het hoger beroep
De tweede grief
4. Appellant betoogt in de tweede grief onder verwijzing naar de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:172, onder 9.7, en ECLI:NL:RBDHA:2025:190, onder 27, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanwijzing van Senegal als veilig land van herkomst niet in strijd is met de Procedurerichtlijn.
4.1. De Afdeling overweegt dat het Hof in het arrest Alace voor recht heeft verklaard dat er bij de aanwijzing van een veilig land van herkomst geen categorieën personen uitgezonderd mogen worden. De rechtspraak van de Afdeling waar de rechtbank zich op baseerde, is daarom niet meer houdbaar. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanwijzing van Senegal als veilig land van herkomst in overeenstemming is met de Procedurerichtlijn en dat de tweede grief slaagt.
4.2. Hoewel partijen het daar inmiddels ook over eens zijn, ziet de Afdeling om redenen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling aanleiding uit te leggen welke gevolgen het arrest Alace heeft voor lopende en toekomstige procedures over veilige landen van herkomst. Tot slot overweegt zij wat het arrest betekent voor het hoger beroep van appellant.
Het arrest Alace
5. Het Hof heeft overwogen dat een land alleen als veilig land van herkomst kan worden aangewezen op grond van artikel 37, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, als aan de in Bijlage I bij de Procedurerichtlijn gestelde materiële voorwaarden is voldaan. Het Hof heeft erop gewezen dat uit zowel artikel 37, eerste lid, van de Procedurerichtlijn als Bijlage I bij de Procedurerichtlijn niet volgt dat bij de aanwijzing van een derde land als veilig land van herkomst een uitzondering mag worden gemaakt voor een deel van de bevolking. Een ruimere uitleg van deze bepalingen, die het mogelijk maken dat asielverzoeken versneld en aan de grens worden behandeld, zou volgens het Hof in strijd zijn met de strikte uitleg die aan dergelijke bepalingen met een afwijkend karakter moet worden gegeven. Zij overweegt daarnaast in de punten 105 en 106 van het arrest dat de Uniewetgever in de Verordening 2024/1348, die vanaf 12 juni 2026 van toepassing is, het weliswaar toestaat dat categorieën personen uitgezonderd worden bij de aanwijzing van een veilig land van herkomst, maar dat dit een nieuwe afweging van de Uniewetgever is ten opzichte van de huidige van toepassing zijnde Procedurerichtlijn, waarin die uitzondering niet is opgenomen. Het Hof heeft daarom voor recht verklaard dat het nu van toepassing zijnde artikel 37 vanPro de Procedurerichtlijn en Bijlage I bij deze richtlijn eraan in de weg staan dat de lidstaat een derde land als veilig land van herkomst aanwijst wanneer voor bepaalde categorieën personen van dat land niet voldaan is aan de in Bijlage I gestelde materiële voorwaarden.
De veilig land van herkomst-procedure naar nationaal recht
6. Wanneer de minister een derde land als veilig land van herkomst aanwijst, betekent dit dat personen die een asielaanvraag indienen en afkomstig zijn uit dat land, in beginsel geacht worden daar voldoende bescherming te krijgen. De minister moet de situatie in de als veilig land van herkomst aangewezen landen regelmatig onderzoeken aan de hand van informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie van andere lidstaten, het European Union Agency for Asylum, de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties. De resultaten van dit onderzoek publiceert hij in een eerste beoordeling en daarna in een regelmatige herbeoordeling (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:738, onder 6 tot en met 10.5). Zo is de aanwijzing van Senegal als veilig land van herkomst voor het laatst vastgesteld bij de herbeoordeling van 21 augustus 2023.
6.1. De aanwijzing van een land als veilig land van herkomst, houdt in dat de minister de individuele beoordeling van een asielaanvraag kan versnellen. Gelet op artikel 3.109ca, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000, houdt deze versnelde procedure in dat een asielzoeker één gehoor krijgt, hem geen medisch onderzoek wordt aangeboden en hij geen recht heeft op rust- en voorbereidingstijd.
6.2. In de versnelde procedure is het aan de asielzoeker om het vermoeden te weerleggen dat het land in zijn individuele geval ook veilig is. Met de aanwijzing als veilig land is namelijk niet gegarandeerd dat dit land ook voor iedereen daadwerkelijk veilig is. Als na een individuele beoordeling van de aanvraag niet is gebleken van zwaarwegende gronden om het land voor de individuele asielzoeker niet als veilig te beschouwen, wordt de aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
6.3. Zolang redelijkerwijs aangenomen kan worden dat de minister de asielaanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Vw 2000 als kennelijk ongegrond mag afwijzen, mag deze aanvraag bovendien in de grensprocedure worden behandeld. De asielzoeker krijgt in dat geval geen toegang tot het Nederlandse grondgebied. Verder heeft de afwijzing als ‘kennelijk ongegrond’ verderstrekkende rechtsgevolgen dan wanneer de aanvraag als ‘ongegrond’ wordt afgewezen. Zo heeft het beroep tegen het asielbesluit geen schorsende werking. Ook kan de minister de asielzoeker als gevolg van het asielbesluit een vertrektermijn onthouden en tegen hem een inreisverbod uitvaardigen.
De gevolgen van het arrest Alace voor de Nederlandse asielprocedure
7. De minister kan als gevolg van het arrest Alace de hiervoor beschreven versnelde procedure niet meer toepassen bij asielzoekers uit een veilig land van herkomst, zolang hij bij de aanwijzing van dat land als veilig heeft bepaald dat deze aanwijzing niet geldt voor bepaalde categorieën personen. Om die reden is artikel 3.37f, vierde lid, aanhef en onder a, van het VV 2000, onverbindend. De Afdeling komt hiermee terug van haar uitspraak van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:210.
7.1. De Afdeling wijst erop dat de minister dit ook heeft onderkend. In de brief van 23 september 2025 aan de voorzitter van de Tweede Kamer, Kamerstuk 19637, nr. 3475, staat dat de minister alle nationale aanwijzingen heeft opgeschort tot in ieder geval 12 juni 2026. Met ingang van die datum is namelijk de Verordening 2024/1348 van toepassing. Vanaf die datum zou ook een voor de Europese Unie gezamenlijke lijst van veilige landen van herkomst van toepassing moeten zijn. In de brief staat verder dat de minister nieuwe asielaanvragen van personen uit landen die eerder als veilig land van herkomst waren aangewezen, niet meer in de versnelde procedure bedoeld in artikel 3.109ca, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 zal behandelen tot de nieuwe Verordening van toepassing is. De minister zal deze asielaanvragen dan ook in de algemene procedure behandelen.
7.2. In zijn schriftelijke inlichtingen heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij de besluiten op basis van aanvragen die al zijn behandeld in de versnelde procedure, niet in alle gevallen intrekt, omdat in sommige zaken al een zelfstandige beoordeling van de geloofwaardigheid en/of zwaarwegendheid heeft plaatsgevonden. Ondanks dat de aanwijzing waarop de versnelde procedure heeft berust geen stand kan houden, verzoekt de minister in die zaken om finale geschilbeslechting. De Afdeling gaat hieronder daarop in.
Wat betekent dit voor de zaak van appellant?
8. Gelet op wat de Afdeling onder 7 heeft overwogen, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de minister de asielaanvraag van appellant heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, omdat hij afkomstig is uit een veilig land van herkomst.
8.1. De Afdeling overweegt echter dat de aanvraag ook als kennelijk ongegrond is afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Deze grond zou de afwijzing kunnen dragen. Deze grond voor het kennelijk ongegrond verklaren van een asielverzoek staat de minister echter niet toe de versnelde procedure toe te passen. De Afdeling beoordeelt daarom ook of is gebleken dat appellant door toepassing van de versnelde procedure de mogelijkheid is ontnomen om zijn asielrelaas adequaat en volledig naar voren te brengen zodat het besluit een andere uitkomst had kunnen hebben.
Eerste grief
9. De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister het asielrelaas van appellant niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft volgens hem namelijk ondeugdelijk gemotiveerd dat zijn verklaringen inconsistent zijn en te zwaar laten meewegen dat hij geen bescherming heeft gezocht bij de autoriteiten.
9.1. Appellant heeft aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat hij in Senegal wordt bedreigd door broers van zijn vader uit Mauritanië, omdat hij als enig kind recht heeft op een deel van de rijkdom van zijn vader.
9.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas ongeloofwaardig is. De minister heeft het asielrelaas ongeloofwaardig geacht om verschillende redenen, waarbij de rechtbank niet alleen heeft laten meewegen dat appellant geen bescherming heeft gezocht bij de autoriteiten. Zo heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister van belang heeft kunnen vinden dat appellant sinds zijn vijfde jaar niet meer in Mauritanië woont, hij summiere verklaringen heeft afgelegd over de bedreigingen en dat hij wisselend heeft verklaard over de problemen die hij in Senegal heeft ondervonden. Zo heeft hij onder meer verklaard niet te kunnen werken in Senegal door de bedreigingen, maar ook dat hij tot aan zijn vertrek uit Senegal daar gewerkt heeft.
9.3. Naar het oordeel van de Afdeling is appellant niet benadeeld door de versnelde procedure. Uit het dossier blijkt dat appellant voorafgaand aan het gehoor een medisch onderzoek heeft gekregen en dat hieruit geen belemmeringen zijn gebleken voor het gehoor. Appellant heeft na afloop van het gehoor correcties en aanvullingen op dat gehoor ingediend en nadat het voornemen was uitgebracht, heeft appellant hierop zijn zienswijze gegeven.
9.4. Uit het voorgaande volgt dat de eerste grief faalt.
Conclusie
10. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, omdat de rechtbank heeft bepaald dat de minister de asielaanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond omdat Senegal een veilig land van herkomst is. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 29 november 2024. Wat appellant in de derde grief aanvoert, behoeft daarom geen bespreking.
10.1. Uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting laat de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand (artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb). Dit betekent dat de uitkomst van het besluit toch blijft gelden. De minister heeft de asielaanvraag van appellant namelijk ook kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Zoals volgt uit wat de Afdeling onder 9.2 en 9.3 van deze uitspraak uiteen heeft gezet, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de verklaringen van appellant wisselend en tegenstrijdig zijn. Hij heeft de door appellant gestelde problemen in Senegal daarom niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden. Hoewel de minister de asielaanvraag van appellant niet in de versnelde procedure heeft mogen behandelen, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hem door toepassing van die procedure de mogelijkheid is ontnomen om zijn asielrelaas adequaat en volledig naar voren te brengen zodat het besluit een andere uitkomst had kunnen hebben.
10.2. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 maart 2025 in zaak nr. NL24.48510;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 29 november 2024, V-[…];
V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven;
VI. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026
644-1111
BIJLAGE
Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)
Artikel 31
Behandelingsprocedure
[…]
8. De lidstaten kunnen bepalen dat een behandelingsprocedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II wordt versneld en/of aan de grens of in transitzones wordt gevoerd overeenkomstig artikel 43 indienPro:
[…]
b) de verzoeker afkomstig is uit een veilig land van herkomst in de zin van deze richtlijn; of
[…]
Artikel 36
Het begrip „veilig land van herkomst"
1. Een derde land dat op grond van deze richtlijn als veilig land van herkomst is aangemerkt, kan voor een bepaalde verzoeker, nadat zijn verzoek afzonderlijk is behandeld, alleen als veilig land van herkomst worden beschouwd wanneer:
a) hij de nationaliteit van dat land heeft, of
b) hij staatloos is en voorheen in dat land zijn gewone verblijfplaats had,
en wanneer hij geen substantiële redenen heeft opgegeven om het land in zijn specifieke omstandigheden niet als een veilig land van herkomst te beschouwen ten aanzien van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU.
2. De lidstaten stellen verdere nationale wetsvoorschriften en -bepalingen vast voor de toepassing van het begrip „veilig land van herkomst".
Artikel 37
Nationale aanmerking van derde landen als veilig land van herkomst
1. De lidstaten kunnen voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming wetgeving handhaven of invoeren met het oog op de nationale aanmerking, overeenkomstig bijlage I, van veilige landen van herkomst.
2. De lidstaten onderzoeken de situatie in derde landen die overeenkomstig dit artikel als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt, regelmatig opnieuw.
3. De beoordeling of een land een veilig land van herkomst is overeenkomstig dit artikel dient te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het EASO, de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.
4. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de landen die overeenkomstig dit artikel als veilige landen van herkomst worden aangemerkt.
Artikel 43
Grensprocedures
1. De lidstaten kunnen procedures invoeren om, overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II, aan de grens of in transitzones van de lidstaten een beslissing te nemen over:
[…]
b) de inhoud van een verzoek in een procedure krachtens artikel 31, lid 8.
[…]
BIJLAGE I
Aanmerking van veilige landen van herkomst voor de toepassing van artikel 37, lid 1
Een land wordt als veilig land van herkomst beschouwd wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 vanPro Richtlijn 2011/95/EU, noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict.
Bij deze beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of mishandeling door middel van:
a) de desbetreffende wetten en andere voorschriften van het betrokken land en de wijze waarop die worden toegepast;
b) de naleving van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en/of het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en/of het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering, in het bijzonder de rechten waarop geen afwijkingen uit hoofde van artikel 15, lid 2, van voornoemd Europees Verdrag zijn toegestaan;
c) de naleving van het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Verdrag van Genève;
d) het beschikbaar zijn van een systeem van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schendingen van voornoemde rechten en vrijheden.
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 30b
1 Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kanPro worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:
[…]
b. de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn;
[…]
e. de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;
[…]
Vreemdelingenbesluit 2000
Artikel 3.109ca
1 De artikelen 3.108d, 3.109 en 3.110 tot en met 3.116 zijn niet, of indien de in artikel 3.108d bedoelde aanmeldfase reeds is aangevangen, niet langer van toepassing, indien de aanvraag:
[…]
c. vermoedelijk kennelijk ongegrond zal worden verklaard met toepassing van artikel 30b, eerste lid, onder b, van de Wet; of
[…]
Voorschrift Vreemdelingen 2000
Artikel 3.37f
1 Een land wordt als veilig land van herkomst beschouwd als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, onder b, van de Wet, wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging, noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict.
2 Bij de beoordeling of een land als veilig land van herkomst wordt beschouwd, wordt onder meer rekening gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of mishandeling door middel van:
a. de desbetreffende wetten en andere voorschriften van het betrokken land en de wijze waarop die worden toegepast;
b. de naleving van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het EVRM en/of het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en/of het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering, in het bijzonder de rechten waarop geen afwijkingen uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het EVRM zijn toegestaan;
c. de naleving van het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag;
d. het beschikbaar zijn van een systeem van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schendingen van voornoemde rechten en vrijheden.
3 Met inachtneming van het eerste en het tweede lid zijn als veilige landen van herkomst als bedoeld in artikel 3.105ba, eerste lid, van het Besluit aangewezen de landen die zijn opgenomen in bijlage 13 bij deze regeling.
4 Een land kan als veilig land van herkomst worden aangewezen met een uitzondering voor: