AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen afwijzing mvv-aanvraag wegens ontbreken beschermenswaardig familie- en gezinsleven
Betrokkene, een Eritrese jongvolwassene, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar vader, de referent, in Nederland te verblijven. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag af omdat volgens hem geen beschermenswaardig familie- en gezinsleven bestond tussen betrokkene en haar vader en diens minderjarige kinderen.
De rechtbank oordeelde dat de minister ten onrechte het jongvolwassenenbeleid niet toepaste en dat er sprake was van een gezinsverband en hechte persoonlijke banden. De minister ging hiertegen in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat de minister de afwijzing deugdelijk had gemotiveerd.
De Raad van State stelde dat het contact en de financiële steun tussen betrokkene en haar vader onvoldoende zijn om te spreken van samenleven in gezinsverband. Ook waren de banden met de minderjarige kinderen van de referent niet hechter dan gebruikelijk. De Afdeling oordeelde dat betrokkene geen bijkomende afhankelijkheid had aangetoond en verklaarde het beroep ongegrond.
De Afdeling bepaalde dat de minister geen belangenafweging hoefde te maken omdat geen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRMPro bestond. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, het beroep van betrokkene ongegrond en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de mvv-aanvraag gehandhaafd wegens ontbreken van beschermenswaardig familie- en gezinsleven.
Uitspraak
202400295/1/V1.
Datum uitspraak: 9 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 15 december 2023 in zaak nr. NL23.18416, hersteld bij uitspraak van 18 december 2023, in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 22 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een mvv te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 26 mei 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 december 2023, hersteld bij uitspraak van 18 december 2023, heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A.M.I. Eleveld, advocaat in Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene heeft de Eritrese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2001. Haar gestelde vader, referent, heeft een mvv-aanvraag ingediend voor verblijf van betrokkene bij hem in Nederland. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat er geen beschermenswaardig familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM bestaat tussen betrokkene en referent en evenmin tussen betrokkene en de andere kinderen van referent. Betrokkene valt volgens de minister niet onder het jongvolwassenenbeleid en tussen betrokkene en referent bestaan geen bijkomende elementen van afhankelijkheid. Tussen betrokkene en de minderjarige kinderen van referent bestaan geen hechte persoonlijke banden die de gebruikelijke omgang overstijgen, aldus de minister.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het jongvolwassenenbeleid, neergelegd in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000, niet op betrokkene van toepassing is. De minister heeft het voor de toepasselijkheid van dit beleid gestelde vereiste, dat het meerderjarige kind met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft, ten onrechte niet beoordeeld in de context van de door referent geschetste omstandigheden. Referent heeft verklaard dat hij met de moeder van betrokkene wilde trouwen, maar dat dit door de oorlog niet is gebeurd. Hij is vervolgens getrouwd met zijn huidige echtgenote, met wie hij drie kinderen heeft gekregen. In Eritrea was referent door zijn dienstplicht slechts een maand per jaar met verlof thuis. Wanneer daarvoor tijdens het verlof gelegenheid bestond, waren referent en betrokkene veel bij elkaar. De moeder van betrokkene steunde dat referent en betrokkene een goede band met elkaar hadden. Referent heeft verder verklaard dat hij in Eritrea maandelijks geld overmaakte voor betrokkene. Volgens Werkinstructie 2020/16 kunnen er omstandigheden zijn waarin een betrokkene en zijn familie- of gezinslid niet samenwonen, maar toch voldoende invulling wordt gegeven aan het familie- en gezinsleven, bijvoorbeeld wanneer een ouder een omgangsregeling heeft met een kind dat bij de andere ouder woont. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden bestond tussen referent en betrokkene feitelijk een bestendige omgangsregeling totdat referent uit Eritrea vertrok. Deze regeling was afgestemd op de situatie dat referent en de moeder van betrokkene niet meer samen waren en betrokkene door de dienstplicht van referent hoofdzakelijk bij haar moeder verbleef. Referent en betrokkene voldoen daarom aan het vereiste ‘in gezinsverband samenleven’ in Eritrea. Zij hebben het gezinsleven zoveel mogelijk voortgezet na de komst van referent naar Nederland en het vertrek van betrokkene en haar moeder naar Ethiopië in 2017. Referent heeft verklaard dat hij frequent telefonisch contact met betrokkene onderhoudt. Partijen zijn het erover eens dat betrokkene aan de overige vereisten van het jongvolwassenenbeleid voldoet.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en de omstandigheid dat betrokkene en haar moeder in het vluchtelingenkamp in Ethiopië steeds dicht bij de echtgenote en de minderjarige kinderen van referent hebben geleefd totdat het gezin van referent omstreeks 2022 uit Ethiopië is vertrokken, bestaan tussen betrokkene en de andere kinderen van referent hechte persoonlijke banden.
De minister heeft daarom ten onrechte geen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM tussen betrokkene en referent en zijn minderjarige kinderen aangenomen. De minister heeft bij de belangenafweging in het kader van dit artikel niet alle relevante feiten en omstandigheden betrokken en in onderlinge samenhang beoordeeld, aldus de rechtbank.
Cumulatieve vereisten van het jongvolwassenenbeleid
2.1. Het jongvolwassenenbeleid in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000 bevat vier cumulatieve vereisten: het meerderjarige kind moet jongvolwassen zijn, met de ouder(s) in gezinsverband samenleven, niet in zijn eigen onderhoud voorzien en geen zelfstandig gezin hebben gevormd. Dit betekent dat, als het meerderjarig kind niet voldoet aan een of meer van deze vereisten, het niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid. De Afdeling acht dit beleid niet in strijd met enige rechtsregel en niet onredelijk. Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145, onder 5 en 8 tot en met 8.7.
Vereiste ‘in gezinsverband samenleven’
2.2. De minister bestrijdt in de eerste grief het oordeel van de rechtbank dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom referent en betrokkene niet voldoen aan aan het vereiste ‘in gezinsverband samenleven’. De minister betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte bij de beoordeling van dit vereiste van het jongvolwassenbeleid het in Werkinstructie 2020/16 uiteengezette algemene beoordelingskader voor het aannemen van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM heeft toegepast. Referent heeft verklaard dat hij en betrokkene in Eritrea elkaar zoveel mogelijk bezochten wanneer referent thuis was tijdens zijn verlof van de dienstplicht. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat dit contact tussen referent en betrokkene niet maakt dat zij in Eritrea in gezinsverband samenleefden. De minister heeft hierbij niet ten onrechte erop gewezen dat betrokkene altijd bij haar moeder heeft gewoond en dat referent en de moeder van betrokkene al sinds de zwangerschap niet meer samenleefden. De minister heeft verder deugdelijk gemotiveerd dat de stelling van referent, dat, na zijn vertrek, betrokkene en haar moeder in het vluchtelingenkamp in Ethiopië verbleven in de nabijheid van zijn gezin, dat toen bestond uit zijn echtgenote en minderjarige kinderen, evenmin leidt tot de conclusie dat betrokkene in gezinsverband met het gezin van referent heeft samengeleefd. De minister heeft hierbij niet ten onrechte in aanmerking genomen dat het gezin van betrokkene en haar moeder en dat van de echtgenote van referent en hun kinderen in Ethiopië als aparte huishoudens geregistreerd waren. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de omstandigheden dat referent en betrokkene regelmatig telefonisch contact onderhouden en dat referent betrokkene waar mogelijk financieel steunt, onvoldoende zijn om te spreken van ‘in gezinsverband samenleven’. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom betrokkene niet onder het jongvolwassenenbeleid valt en ten onrechte zelf vastgesteld dat betrokkene onder het jongvolwassenenbeleid valt.
Hechte persoonlijke banden
2.3. De minister bestrijdt verder terecht het oordeel van de rechtbank dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen haar en de minderjarige kinderen van referent hechte persoonlijke banden bestaan. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de bezoeken van betrokkene aan het gezin van referent in Eritrea en de omstandigheid dat betrokkene in het vluchtelingenkamp in Ethiopië in de nabijheid van het gezin van referent verbleef, niet maken dat de band tussen betrokkene en de minderjarige kinderen van referent de gebruikelijke band tussen in verschillende huishoudens wonende halfbroers of -zussen overstijgt. De minister betoogt terecht dat uit de verklaringen van referent ook niet kan worden afgeleid dat tussen betrokkene en zijn overige kinderen zulke hechte persoonlijke banden bestaan.
De eerste grief slaagt.
3. Als de minister zich op het standpunt stelt dat een meerderjarig kind niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid, moet hij vaststellen of bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan op grond waarvan familie- en gezinsleven moet worden aangenomen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2146, onder 9). Gelet hierop en op het oordeel onder 2.2, betoogt de minister in de tweede grief terecht dat de rechtbank heeft nagelaten de beroepsgrond gericht tegen het standpunt van de minister dat tussen betrokkene en referent geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, te toetsen.
De tweede grief slaagt.
4. Uit het vorenstaande en het oordeel onder 6.1 volgt dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat tussen betrokkene en referent en zijn minderjarige kinderen geen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM bestaat. Dat betekent dat de minister in dit geval geen belangenafweging in het kader van artikel 8 vanPro het EVRM behoefde te maken. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 5 tot en met 5.4. De vraag of de belangenafweging voor het familie- en gezinsleven in het besluit van 26 mei 2023 deugdelijk heeft plaatsgevonden en wat de minister daarover in de derde grief aanvoert, behoeft daarom geen bespreking.
Conclusie
5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen de beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Beroep
6. Betrokkene heeft in beroep betoogd dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat tussen betrokkene en referent geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan.
6.1. Betrokkene heeft terecht aangevoerd dat, anders dan de minister heeft gesteld, voor het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet is vereist dat betrokkene zonder referent niet zelfstandig kan functioneren. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275, onder 3.3.
De minister heeft in zijn beoordeling betrokken dat uit de jarenlange inzet van referent om betrokkene naar Nederland te laten komen, kan worden afgeleid dat tussen betrokkene en referent een emotionele band bestaat. Ook bestrijdt de minister de omstandigheden niet op grond waarvan de rechtbank is uitgegaan van een bestendige omgangsregeling tussen referent en betrokkene. Deze omstandigheden vormen een indicatie dat referent en betrokkene, hoewel op een andere wijze dan als gezin te hebben samengeleefd, invulling aan het familie- en gezinsleven hebben gegeven. De minister heeft zich echter niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat tussen betrokkene en referent geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. De minister heeft erop gewezen dat betrokkene ook ten tijde van het besluit op bezwaar nog met haar moeder samenwoonde en dat betrokkene bovendien gezien haar leeftijd, op dat moment tweeëntwintig jaar, in staat kan worden geacht zelfstandig te functioneren. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de stelling van referent dat hij, wanneer dat voor hem mogelijk is, betrokkene financieel steunt, niet maakt dat hun band de normale banden tussen een vader en een meerderjarig kind overstijgt. De minister heeft terecht opgemerkt dat deze financiële ondersteuning ook op afstand kan worden voortgezet. Betrokkene heeft aangevoerd dat zij in Ethiopië onder moeilijke omstandigheden leeft. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat vanwege die omstandigheden bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen haar en referent bestaan. Referent heeft verklaard dat hij betrokkene in Ethiopië heeft bezocht. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat referent betrokkene niet opnieuw kan bezoeken.
Het betoog slaagt niet.
7. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 15 december 2023 in zaak nr. NL23.18416, hersteld bij uitspraak van 18 december 2023;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.