ECLI:NL:RVS:2026:1256

Raad van State

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
BRS.25.001303
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 29, tweede lid, Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake verlenging overdrachtstermijn vreemdeling onderduiken

De minister van Asiel en Migratie verlengde de overdrachtstermijn van betrokkene met twaalf maanden vanwege onderduiken. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene tegen deze verlenging gegrond en vernietigde het besluit. De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er geen sprake was van onderduiken. Betrokkene had zonder toestemming de opvanglocatie verlaten en verbleef bij een vriend zonder dit te melden, wat volgens jurisprudentie kwalificeert als onderduiken. De stelling van betrokkene dat hij zijn kleding had achtergelaten en had voldaan aan de meldplicht was onvoldoende om het tegendeel aannemelijk te maken.

De Raad van State vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.

Uitspraak

BRS.25.001303
Datum uitspraak: 6 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 9 september 2025 in zaak nr. NL25.32746 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij brief van 14 juli 2025 heeft de minister betrokkene in kennis gesteld van zijn besluit om de overdrachtstermijn met twaalf maanden te verlengen (het verlengingsbesluit).
Bij uitspraak van 9 september 2025 heeft de rechtbank het door betrokkene tegen het verlengingsbesluit ingestelde beroep gegrond verklaard en het verlengingsbesluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A.H.A. Kessels, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        De minister klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van onderduiken in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Dat betrokkene niet op de hoogte was gesteld van de geplande overdracht, betekent niet dat geen sprake kan zijn van onderduiken. Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4969, onder 1.
Bovendien is niet in geschil dat betrokkene de opvanglocatie heeft verlaten om bij een vriend te verblijven zonder dit te melden bij het COa en zonder toestemming van het COa. Dit betekent dat sprake is van onderduiken in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, punt 70, en de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630, onder 6 en 7. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is de stelling van betrokkene dat hij zijn kleding in de kamer had laten liggen en dat hij op 10 juli 2025 voordat hij de opvanglocatie heeft verlaten aan de meldplicht heeft voldaan, onvoldoende om aannemelijk te maken dat hij niet de bedoeling had om zich aan het toezicht te onttrekken.
1.1.        De grief slaagt.
2.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, verklaart de Afdeling het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 9 september 2025 in zaak nr. NL25.32746;
III.        verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026
846-1122