202307735/1/V1.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 14 november 2023 in zaak nr. 23/8621 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
het COa.
Procesverloop
Bij besluit van 24 juli 2023 heeft het COa een verzoek van betrokkene om hem over te plaatsen naar een opvangvoorziening voor minderjarigen, afgewezen.
Bij uitspraak van 14 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het COa een nieuw besluit op het verzoek neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft het COa hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. I.M. Hidding, advocaat in Diever, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het COa heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene heeft op 27 oktober 2022 bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen en verklaard dat zijn geboortedatum 9 december 2006 is. Het COa heeft hem daarom in een opvanglocatie voor minderjarigen geplaatst.
1.1. De minister heeft onderzoek gedaan in het Eurodac-systeem. Daaruit is hem gebleken dat betrokkene in Duitsland geregistreerd staat als meerderjarige. Als gevolg hiervan heeft de minister de geboortedatum van betrokkene in Nederland aangepast naar 9 augustus 1996.
1.2. Omdat de minister de leeftijd van betrokkene heeft aangepast naar meerderjarig, heeft het COa betrokkene op 19 mei 2023 overgeplaatst naar een meerderjarigenopvang.
Bespreking van de grieven
2. Het COa klaagt in de grieven, in samenhang gelezen, terecht over het oordeel van de rechtbank dat de werkwijze, waarbij het zonder enig zelfstandig onderzoek uitgaat van een gewijzigde leeftijdsregistratie door de minister, zich niet verhoudt met de zelfstandige onderzoeksplicht van het COa in het kader van de opvangbehoeften van een vreemdeling. Het is namelijk aan een vreemdeling om bij het COa concrete aanknopingspunten naar voren te brengen, waaruit blijkt dat reden voor twijfel bestaat over zijn leeftijd. Zie de uitspraken van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2011, onder 6.1, en 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5822, onder 3.1 en 3.2. Betrokkene heeft dat vóór zijn overplaatsing niet gedaan. Voor het COa was er toen dan ook geen aanleiding om navraag te doen bij de minister over de leeftijdsbepaling en vervolgens een eigen standpunt te vormen in het kader van de opvangbehoeften. Het COa hoefde daarom niet langer uit te gaan van de aanname van minderjarigheid, bedoeld in het arrest van het EHRM van 21 juli 2022, Darboe en Camara tegen Italië, ECLI:CE:ECHR:2022:0721JUDO00579717, paragrafen 153 en 154. Het COa mocht uitgaan van de leeftijdsbepaling door de minister en mocht betrokkene daarom overplaatsen naar een meerderjarigenopvang. Het voorgaande heeft de rechtbank achteraf bezien niet onderkend. 2.1. Het COa draagt de klacht terecht voor, maar de grieven leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De redenen daarvoor legt de Afdeling hieronder uit.
2.2. Betrokkene heeft na zijn overplaatsing concrete aanknopingspunten voor twijfel over zijn leeftijd naar voren gebracht. Hij heeft gewezen op de omstandigheid dat zijn leeftijd in de asielprocedure nog niet vaststaat en dat hij in die procedure een zogenoemde tazkera heeft overgelegd. Hij heeft in de schriftelijke uiteenzetting laten weten dat Bureau Documenten die tazkera weliswaar niet echt heeft bevonden, maar dat hij inmiddels een contra-expertise heeft overgelegd, waarin een deskundige de tazkera echt heeft bevonden. Betrokkene heeft naar voren gebracht dat de minister hierover geen standpunt heeft ingenomen. Betrokkene heeft ook naar voren gebracht dat hij tijdens zijn leeftijdsregistratieproces in Duitsland onder invloed stond van een zogenoemde reisagent, waardoor hij een verkeerde geboortedatum heeft opgegeven.
2.3. Anders dan het COa betoogt, is het niet verplicht om uit te gaan van de leeftijdsbepaling door de minister. Het COa mag in beginsel uitgaan van de leeftijdsbepaling door de minister, tenzij een vreemdeling concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat reden voor twijfel bestaat over zijn leeftijd. Als er concrete aanknopingspunten voor twijfel over de leeftijdsbepaling door de minister zijn, dan moet het COa navraag doen bij de minister over de leeftijdsbepaling. Vervolgens moet het COa een eigen standpunt vormen over de opvangbehoeften van de betrokken vreemdeling, omdat het COa verantwoordelijk is voor de passende opvangbehoeften van die vreemdeling. Dat volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 15 mei 2024, onder 6.1, en 10 december 2025, onder 2.2 tot en met 5.2.
2.4. Het voorgaande betekent in dit geval dat het COa navraag had moeten doen bij de minister over de leeftijdsbepaling van betrokkene. Aan de hand daarvan had het COa een eigen standpunt moeten vormen over de opvangbehoeften van betrokkene. Dat heeft het COa niet deugdelijk gemotiveerd gedaan. Het COa heeft zich, onder verwijzing naar een memo van de minister van 7 juli 2023, op het standpunt gesteld dat de concrete aanknopingspunten die betrokkene naar voren heeft gebracht, niet afdoen aan de leeftijdsbepaling door de minister. De Afdeling is van oordeel dat het COa daarbij niet heeft onderkend dat in de memo van de minister het resultaat van de contra-expertise en de verklaringen van betrokkene over het leeftijdsregistratieproces in Duitsland niet aan bod zijn gekomen. Het COa mocht dus niet zonder meer van de leeftijdsbepaling door de minister uitgaan. Anders dan het COa betoogt, heeft de rechtbank daarom terecht overwogen dat het COa niet in lijn heeft gehandeld met het arrest Darboe en Camara. De grieven slagen daarom niet.
Conclusie
3. Het hoger beroep is ongegrond. Het is niet nodig om wat het COa verder aanvoert te bespreken. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. Het COa moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt het COa tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Stoové
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
941-1046