202503880/1/V2.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 3 juli 2025 in zaak nr. NL24.44913 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 12 november 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 3 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.A. Pieters, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant heeft de Afghaanse nationaliteit. Aan zijn asielverzoek heeft hij ten grondslag gelegd dat hij in september 2021 heeft meegedaan aan een demonstratie voor vrouwenrechten in Afghanistan en dat de Taliban twee keer bij hem langs zijn geweest voor een huiszoeking. Bij de tweede huiszoeking hebben zij hem meegenomen en enkele uren verhoord, waarna appellant Afghanistan heeft verlaten. Toen hij in Nederland was, hoorde hij dat er een oproep van de Taliban aan zijn huisadres is afgeleverd. Appellant vreest bij terugkeer voor problemen met de Taliban.
Hoewel de minister deze gebeurtenissen geloofwaardig acht, stelt hij zich op het standpunt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierbuiten nog problemen met de Taliban heeft ondervonden en bij hen in de negatieve aandacht staat.
De eerste en tweede grief
2. Appellant klaagt in de eerste grief en tweede grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij met zijn verklaringen en overgelegde documenten de problemen met de Taliban niet aannemelijk heeft gemaakt. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet geloofwaardig acht dat appellant in de negatieve aandacht van de Taliban staat, terwijl hij wel geloofwaardig acht dat de Taliban eerder zijn huis hebben doorzocht en hem hebben meegenomen voor verhoor. Appellant klaagt ook over het oordeel van de rechtbank dat de minister hem niet ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet meer wordt gezocht door de Taliban omdat hij na de machtsovername legaal is uitgereisd en een tazkera met een stempel van het Afghaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft gekregen. Ook betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister de overgelegde oproep van de Taliban voldoende heeft betrokken in zijn besluitvorming.
2.1. Appellant betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister niet heeft gemotiveerd hoe hij de geloofwaardig geachte elementen bij de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken. De rechtbank heeft alleen overwogen dat de minister de gestelde problemen met de Taliban niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht, omdat appellant sinds 2021 geen problemen meer met hen heeft ondervonden, hij legaal is uitgereisd en een tazkera heeft ontvangen. De rechtbank heeft daarbij echter niet onderkend dat de minister niet heeft gemotiveerd hoe de geloofwaardig geachte deelname aan de demonstratie, de huiszoeking en de arrestatie doorwerken in de andere relevante elementen, te weten de gestelde problemen met de Taliban en daarmee in de uiteindelijke geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas als geheel. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:890, onder 8.3. 2.2. Daarnaast betoogt appellant terecht dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn beroepsgronden gericht tegen de tegenwerpingen in het besluit dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve aandacht van de Taliban staat, omdat hij legaal is uitgereisd en een gestempelde tazkera heeft gekregen. Appellant heeft in beroep een mailwisseling overgelegd tussen [naam expert], assistent-professor antropologie aan [universiteit], gespecialiseerd in Afghanistan, en Vluchtelingenwerk Nederland. Volgens de expert kunnen ook Afghanen die door de Taliban worden gezocht tegen betaling gestempelde tazkera’s krijgen en legaal het land uitreizen. De rechtbank is niet ingegaan op deze door appellant aangedragen informatie en zij heeft niet onderkend dat de minister hier ook niet ongemotiveerd aan voorbij kon gaan. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat de minister appellant in de geloofwaardigheidsbeoordeling niet ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij legaal heeft kunnen uitreizen met een gestempelde tazkera.
2.3. Mede in het licht van de hierboven vastgestelde gebreken in de geloofwaardigheidsbeoordeling, betoogt appellant ook terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister de door hem overgelegde oproep van de Taliban dat hij als verdachte naar het politiebureau moet komen, voldoende heeft betrokken in zijn besluitvorming. Bureau Documenten heeft in zijn verklaring van onderzoek van 11 februari 2025 geconstateerd dat over de echtheid van de oproep geen uitspraak kan worden gedaan vanwege het ontbreken van voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal. De minister heeft in zijn brief van 28 maart 2025 alleen het standpunt ingenomen dat er daarom geen grote bewijswaarde aan de oproep wordt toegekend en dat het document het asielrelaas niet alsnog geloofwaardig maakt. Appellant verwijst echter terecht naar de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1195, waaruit volgt dat de minister niet zonder meer waarde mag ontzeggen aan een document waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld, maar deze waarde moet bezien mede in het licht van de door een vreemdeling afgelegde verklaringen. Nu de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van appellant over de problemen met de Taliban ongeloofwaardig zijn, heeft hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, met zijn standpunt geen deugdelijke en inzichtelijke motivering over de bewijswaarde van de oproep gegeven. 2.4. Daarnaast betoogt appellant terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister er belang aan mocht hechten dat de oproep laat is overgelegd, zonder dat appellant aantoonbare inspanningen heeft verricht om deze eerder te verkrijgen. Appellant heeft bij het nader gehoor van 6 november 2024 een kopie van de oproep overgelegd. De minister heeft daarover in het voornemen van 8 november 2024 en het besluit van 12 november 2024 het standpunt ingenomen dat appellant onvoldoende inspanning heeft geleverd om het origineel te verkrijgen, terwijl hij daarvoor twintig maanden de tijd heeft gehad. Appellant heeft in zijn zienswijze van 11 november 2024 te kennen gegeven dat de originele oproep verkregen is van de buurman, maar dat het moeilijk is deze met de post naar Nederland te sturen. Een familielid van appellant zou het document daarom meenemen naar Nederland, zo heeft hij verklaard. Op 31 januari 2025 heeft appellant de originele oproep van de Taliban overgelegd. Hiermee heeft hij een deugdelijke verklaring gegeven waarom hij het originele document pas na een paar maanden kon overleggen. De rechtbank heeft niet onderkend dat de motivering van de minister dat de oproep zonder goede verklaring laat is overgelegd, ontoereikend is.
2.5. De eerste en tweede grief slagen.
De vierde grief
3. Appellant klaagt over de overweging van de rechtbank dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege zijn verblijf in het Westen. Hij betoogt dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat hij uit een, in de ogen van de Taliban, ‘besmette’ familie komt, waarvan de vrouwen zijn opgekomen voor vrouwenrechten en waarvan zijn vader heeft samengewerkt met internationale organisaties. Appellant betoogt dat het besluit een motiveringsgebrek bevat, omdat deze factoren niet kenbaar zijn betrokken bij de risicobeoordeling.
3.1. Appellant heeft in het nader gehoor verklaard dat zijn moeder en tante in het verleden zijn opgekomen voor vrouwenrechten en dat zijn vader onder andere als technisch adviseur voor USAID en het ‘Swedish Committee for Afghanistan’ heeft gewerkt. Hij heeft dit met 25 documenten onderbouwd. De minister heeft in het voornemen en het besluit geen standpunt ingenomen over de geloofwaardigheid van deze werkzaamheden en is niet ingegaan op de documenten. De rechtbank heeft dat evenmin gedaan. De minister heeft weliswaar over de werkzaamheden van de moeder en tante van appellant gesteld dat deze onvoldoende inzichtelijk maken dat appellant persoonlijk in de negatieve aandacht staat, maar hij heeft nagelaten om op deugdelijke wijze te beoordelen of de werkzaamheden van de familie van appellant van betekenis zijn voor het actuele terugkeerrisico. Uit openbare informatie volgt immers dat familieleden van mensen die geassocieerd worden met de voormalige overheid of internationale organisaties, problemen met de Taliban kunnen krijgen. Zie bijvoorbeeld het door appellant aangehaalde EUAA Country Focus van november 2024, paragraaf 4.11. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4649, waaruit volgt dat de minister bij de beoordeling van het risico bij terugkeer naar Afghanistan alle door een vreemdeling aangedragen individuele omstandigheden in onderlinge samenhang moet bezien. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister dat in deze zaak onvoldoende heeft gedaan. 3.2. De grief slaagt.
De derde grief
4. Wat appellant in de derde grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Conclusie
5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 12 november 2024. De minister moet een nieuw besluit op de asielaanvraag nemen met inachtneming van deze uitspraak. Hierbij moet hij expliciet de geloofwaardig geachte huiszoeking en arrestatie, de informatie over tazkera’s, de oproep van de Taliban en de werkzaamheden van de familie van appellant betrekken. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 3 juli 2025 in zaak nr. NL24.44913;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 12 november 2024, V-[...];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.269,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
936-1088