AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vergoeding proceskosten na intrekking hoger beroep in asielzaak wegens overschrijding beslistermijn
Verzoeker stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake een asielaanvraag. Tijdens de procedure trok verzoeker het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75a Awb.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de minister de beslistermijn van vijftien maanden voor het nemen van een besluit op de asielaanvraag had overschreden, ongeacht de rechtmatigheid van eventuele verlengingen van die termijn. De minister had uiteindelijk op 9 februari 2026 het verzoek van verzoeker ingewilligd.
Gezien de overschrijding van de beslistermijn en het feit dat verzoeker het eens was met het besluit, wees de Afdeling het verzoek tot proceskostenvergoeding toe. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van € 467,00 aan proceskosten, waarbij een wegingsfactor van 0,5 werd toegepast omdat het hoger beroep uitsluitend over de termijnoverschrijding ging.
Uitkomst: De minister van Asiel en Migratie is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker wegens overschrijding van de beslistermijn.
Uitspraak
202502946/1/V1.
Datum uitspraak: 26 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).
Procesverloop
Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. M. Pals, advocaat in Arnhem, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 29 april 2025 in zaak nr. NL25.9074.
Verzoeker heeft een nader stuk ingediend.
Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen in de bij haar opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1. Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75 vanPro de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan verzoeker is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door zijn toedoen is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).
2. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, en 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie om te kunnen bepalen of de minister de beslistermijn, met WBV 2022/22 en WBV 2023/3, heeft mogen verlengen. Het Hof heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in haar uitspraak van 8 november 2023, die gaan over WBV 2022/22. De Afdeling moet hierover nog einduitspraak doen. Het Hof heeft nog geen antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in de verwijzingsuitspraak van 10 juli 2024. Nadat de Afdeling einduitspraak doet in de verwijzingszaak die gaat over WBV 2022/22 zal zij bezien of verdere aanhouding van zaken die vallen onder WBV 2023/3 nodig is, vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2219, onder 1 en 2.
3. Het voorgaande heeft geen invloed op de vraag of verzoeker haar proceskosten vergoed moet krijgen. In dit geval heeft de minister bij besluit van 9 februari 2026 de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5543, onder 3.3, volgt dat de beslistermijn aanvangt op het moment dat een vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar maakt, waarvan de loopbrief doorgaans het bewijs is. De minister kan de beslistermijn opschorten. In dit geval maakt het niet uit of de minister de beslistermijn heeft opgeschort of niet, omdat er na de ondertekening van het formulier model M35-H op 13 december 2023 meer dan vijftien maanden zijn verstreken voordat de minister het besluit heeft genomen op de asielaanvraag. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
4. De Afdeling wijst het verzoek toe. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Het besluit van 9 februari 2026
5. De minister is in het besluit van 9 februari 2026 geheel aan de aanvraag van verzoeker tegemoetgekomen. Verzoeker heeft laten weten het eens te zijn met dit besluit. Gelet hierop is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 vanPro de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van de bij verzoeker in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.