ECLI:NL:RVS:2025:844
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens schending hoorplicht
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 26 maart 2021 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na bezwaar en beroep verklaarden zowel de staatssecretaris als de rechtbank het bezwaar en beroep ongegrond. De vreemdeling stelde daarop hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de minister de hoorplicht jegens de vreemdeling heeft geschonden. Volgens vaste jurisprudentie moet de minister een vreemdeling in bezwaar horen, zeker wanneer het besluit afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. De rechtbank had dit niet onderkend en het beroep ten onrechte ongegrond verklaard.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 18 januari 2022 vernietigd. De minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het beoordelingskader uit eerdere uitspraken. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de hoorplicht.