ECLI:NL:RVS:2025:699
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing voorlopige voorziening vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie legde op 22 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel gegrond en beval opheffing met ingang van 11 december 2024, tevens werd schadevergoeding toegekend.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, waardoor de maatregel niet zou worden opgeheven totdat het hoger beroep was beslist. De voorzieningenrechter wees dit verzoek op 12 december 2024 toe. Een later verzoek van de vreemdeling tot opheffing of wijziging van deze voorlopige voorziening werd op 13 december 2024 afgewezen.
De vreemdeling verzocht opnieuw op 11 februari 2025 om opheffing of wijziging van de voorlopige voorziening, stellende dat het voortduren van de maatregel inhoudelijk behandeld moet worden. De voorzieningenrechter oordeelde dat onder de gegeven omstandigheden het grensbewakingsbelang van de minister doorslaggevend blijft en dat de voorlopige voorziening niet wordt gewijzigd. De inhoudelijke toetsing van het voortduren van de maatregel behoort tot de lopende hoger beroepen en is niet geschikt voor behandeling in deze procedure.
Het verzoek wordt daarom afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek van de vreemdeling tot opheffing of wijziging van de voorlopige voorziening wordt afgewezen.