ECLI:NL:RVS:2024:5185

Raad van State

Datum uitspraak
12 december 2024
Publicatiedatum
16 december 2024
Zaaknummer
202407479/2/V3, 202407478/2/V3, 202407489/2/V3, 202407491/2/V3, 02407492/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbVreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen opheffing vrijheidsontnemende maatregelen vreemdelingen in JCS

De minister van Asiel en Migratie legde in november 2024 aan vijf vreemdelingen vrijheidsontnemende maatregelen op in het Justitieel Complex Schiphol (JCS). De rechtbank Den Haag oordeelde op 11 december 2024 dat deze maatregelen onrechtmatig waren vanwege de omstandigheden in het JCS, waaronder de inrichting en het regime, en beval opheffing van de maatregelen met toekenning van schadevergoeding.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om voorlopige voorzieningen te treffen zodat de vrijheidsontnemende maatregelen niet per direct opgeheven hoeven te worden. De minister voerde aan dat het belang van grensbewaking zwaarder weegt en dat onmiddellijke opheffing onomkeerbare gevolgen zou hebben voor de toegang tot het Schengengebied.

De voorzieningenrechter achtte het grensbewakingsbelang zwaarder dan de ingrijpende gevolgen voor de vreemdelingen en besloot de voorlopige voorziening toe te wijzen. Hierdoor blijven de vrijheidsontnemende maatregelen van kracht totdat de Afdeling bestuursrechtspraak op het hoger beroep heeft beslist.

Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregelen blijven van kracht totdat op het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

202407479/2/V3, 202407478/2/V3, 202407489/2/V3, 202407491/2/V3,
02407492/2/V3
Datum uitspraak: 12 december 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van voorlopige voorzieningen (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende de hoger beroepen van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 december 2024 in zaken nrs. NL24.47085, NL24.47086, NL24.47087, NL24.47091 en NL24.47089 in de gedingen tussen:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], [vreemdeling 3], [vreemdeling 4] en [vreemdeling 5]
en
de minister.
Procesverloop
Zaak nr. 202407479/2/V3
Bij besluit van 22 november 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Zaak nr. 202407478/2/V3
Bij besluit van 23 november 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Zaak nr. 202407489/2/V3
Bij besluit van 23 november 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Zaak nr. 202407491/2/V3
Bij besluit van 22 november 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Zaak nr. 202407492/2/V3
Bij besluit van 22 november 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
In alle vijf de zaken
Bij uitspraken van 11 december 2024 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregelen met ingang van die dag bevolen en schadevergoedingen toegekend.
Tegen deze uitspraken heeft de minister hoger beroepen ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht voorlopige voorzieningen te treffen.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. W.M. Blaauw, advocaat in Haarlem, hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.
Overwegingen
Het oordeel van de rechtbank
1.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrijheidsontnemende maatregelen van begin af aan onrechtmatig zijn geweest door de omstandigheden in het Justitieel Complex Schiphol (hierna: JCS), zowel wat betreft de inrichting van het gebouw als het regime en de daarbij toegepaste dwang. Daarom heeft de rechtbank de minister bevolen de maatregelen op te heffen.
De verzoeken van de minister
2.       De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorzieningen te treffen dat hij de uitspraken van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroepen heeft beslist. Daarbij beroept hij zich op het grensbewakingsbelang. De minister betoogt dat de rechtbankuitspraken een dusdanig algemene strekking hebben, dat afwijzing van zijn verzoeken met zich brengt dat hij genoodzaakt zal zijn om per direct alle vreemdelingen die krachtens de Vw 2000 in het JCS verblijven, in vrijheid te stellen. Omdat hen daarmee de toegang tot het Schengengebied zal moeten worden verleend, leidt dat volgens de minister tot onomkeerbare gevolgen.
Beoordeling
3.       Hoewel de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregelen voor de vreemdelingen ingrijpend is, komt onder de gegeven omstandigheden een zwaarder gewicht toe aan het door de minister ingeroepen grensbewakingsbelang. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om de gevraagde voorlopige voorzieningen te treffen.
4.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vrijheidsontnemende maatregelen niet hoeven te worden opgeheven totdat de Afdeling op de hoger beroepen heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
voorzieningenrechter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2024
962-347-1020