ECLI:NL:RVS:2025:6411

Raad van State

Datum uitspraak
29 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
202406932/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in asielzaak

In deze zaak heeft verzoeker, vertegenwoordigd door mr. F. Zeven, hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. Op 18 december 2025 heeft verzoeker het hoger beroep ingetrokken en verzocht om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen in de proceskosten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de verzoeken van verzoeker in overweging genomen. De Afdeling heeft vastgesteld dat de minister op 3 november 2025 een aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingewilligd. Dit heeft geleid tot de vraag of verzoeker recht heeft op proceskostenvergoeding, gezien de intrekking van het hoger beroep. De Afdeling heeft geoordeeld dat de minister in de proceskosten moet worden veroordeeld, omdat de beslistermijn voor de asielaanvraag is overschreden. De Afdeling heeft de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De zaak is vervolgens doorverwezen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, voor verdere behandeling van het beroep tegen het besluit van 3 november 2025.

Uitspraak

202406932/1/V1.
Datum uitspraak: 29 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb).
Procesverloop
Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. F. Zeven, advocaat in Amsterdam, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 oktober 2024 in zaak nr. NL24.30883.
De minister van Asiel en Migratie heeft een nader stuk ingediend.
Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij verzoeker opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1.       Verzoeker heeft het hoger beroep op 18 december 2025 ingetrokken en gelijktijdig het verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan hem is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door toedoen van de minister is vervallen, zie ook de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1.
2.       De Afdeling heeft in haar uitspraken van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, en 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie om te kunnen bepalen of de minister de beslistermijn, met WBV 2022/22 en WBV 2023/3, heeft mogen verlengen. Het Hof heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in haar uitspraak van 8 november 2023, die gaan over WBV 2022/22. De Afdeling moet hierover nog einduitspraak doen. Het Hof heeft nog geen antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in de verwijzingsuitspraak van 10 juli 2024. Nadat de Afdeling einduitspraak doet in de verwijzingszaak die gaat over WBV 2022/22 zal zij bezien of verdere aanhouding van zaken die vallen onder WBV 2023/3 nodig is, vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2219, onder 1 en 2.
3.       Het voorgaande heeft geen invloed op de vraag of verzoeker zijn proceskosten vergoed moet krijgen. In dit geval heeft de minister bij besluit van 3 november 2025 een aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5543, onder 3.3, volgt dat de beslistermijn aanvangt op het moment dat een vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar maakt, waarvan de loopbrief doorgaans het bewijs is. De minister kan de beslistermijn opschorten. In dit geval maakt het niet uit of de minister de beslistermijn heeft opgeschort of niet, omdat er na de ondertekening van het formulier model M35-H op 4 oktober 2023 meer dan vijftien maanden zijn verstreken voordat de minister het besluit heeft genomen op de asielaanvraag. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen en wijst het verzoek daarom toe.
4.       De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
5.       Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken. De toetsing door de Afdeling beperkt zich dus tot het besluit van 3 november 2025. Verzoeker heeft bij de rechtbank al beroep ingesteld tegen dat besluit. Bij de Afdeling is echter, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, al een beroep van rechtswege ontstaan tegen het besluit van 3 november 2025.
6.       De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 3 november 2025, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam. De Afdeling acht het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.
7.       De Afdeling verwijst het beroep naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verwijst het beroep tegen het besluit van 3 november 2025, V-[nummer], naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2025
977