202301515/1/A3.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellante B],
beiden wonend in Oss,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 23 januari 2023 in zaken nrs. 21/1400, 21/1401, 21/1402 en 21/1403 in het geding tussen:
[appellant A], [appellante B], [persoon C] en {persoon D]
en
de burgemeester van Oss.
Procesverloop
Bij besluit van 29 april 2020 heeft de burgemeester het perceel aan de [locatie] in Oss voor zes maanden gesloten.
Bij besluit van 28 april 2021 heeft de burgemeester het door [appellant A] en [appellante B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 januari 2023 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellante B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellante B] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 26 november 2025 behandeld, waar [appellant A] en [appellante B], vertegenwoordigd door mr. V. Poelmeijer, advocaat in Amsterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. F.A. Pommer, advocaat in Nijmegen, en mr. P. Verhoeven, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant A] en [appellante B] woonden met hun twee kinderen aan de [locatie] in Oss. Dit perceel is een woonwagenstandplaats waarop een woonwagen en schuur staan, die door hen werd gehuurd van de gemeente Oss. Achter dit perceel ligt een ander perceel met een stuk bos, dat eigendom van de gemeente is en niet werd verhuurd. Op 13 november 2019 heeft op en rond beide percelen een politieonderzoek plaatsgevonden. De bevindingen heeft de politie vastgelegd in de bestuurlijke rapportage van 9 december 2019. Daarin staat dat in de woning en de daarachter gelegen schuur het volgende is aangetroffen:
• +/- 150 gr amfetamine in een keukenkastje;
• 256.650,00 aan Deense kronen en euro’s in een verborgen ruimte in de slaapkamer;
• € 6.244,00 aan bankbiljetten en muntgeld op diverse plaatsen in de woning;
• twaalf stuks munitie en hulzen in de schuur;
• meerdere onderdelen van (vuur)wapens in de schuur.
1.1. Op grond van deze informatie heeft de burgemeester aan [appellant A] en [appellante B] op 13 januari 2020 het voornemen bekendgemaakt om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, het perceel te sluiten voor de duur van twaalf maanden. Op 7 februari 2020 heeft de politie aan de burgemeester laten weten dat sprake is geweest van een vals-positieve test van amfetamine. Dat is later bevestigd in een aanvullende bestuurlijke rapportage van 24 februari 2020. De stof bleek geen amfetamine of andere hard- of softdrugs te zijn. Aan het voornemen heeft de burgemeester geen vervolg gegeven.
1.2. Vervolgens heeft de burgemeester op 26 februari 2020 een bestuurlijke rapportage ontvangen over het op 13 november 2019 verrichte onderzoek. Daarin staat het volgende:
"Op basis van onderzoeksbevindingen (opgenomen gesprekken) kan worden gesteld dat de schuur achter de woning van deze locatie, in de periode maart 2018 tot en met november 2019 vrijwel dagelijks werd gebruikt als overleglocatie / handelsplaats voor een crimineel samenwerkingsverband (CSV), waar ook vrijwel dagelijks bezoekers werden ontvangen. Dit CSV bestaat naast [appellant A] en [appellante B] uit tientallen personen, waaronder familieleden. Leden van het CSV en hun contacten konden ook buiten aanwezigheid van [appellant A] en [appellante B] gebruik maken van de schuur. Deze schuur was ingericht als vergaderruimte en werd door een deelnemer van het CSV zijn 'kantoor' genoemd. Ook op basis van onderzoeksbevindingen kan worden gesteld dat vanuit de schuur doorlopend drugstransacties besproken werden, voorbereid en uitgevoerd. Er werd vrijuit gesproken over onder andere:
• het produceren van verdovende middelen (synthetische drugs) en het verhandelen van producten (precursoren) bestemd voor de productie van synthetische drugs
• het importeren van containers met verdovende middelen met diverse soorten dekladingen
• het uithalen van containers met daarin verdovende middelen
• het wegnemen van containers met vermoedelijk verdovende middelen
• het maken van afspraken met buitenlandse personen afkomstig uit onder andere Bulgarije, Zuid-Amerika en België
• het handelen in (vuur)wapens.
Ook in de woning aan de [locatie] kwamen leden van het crimineel samenwerkingsverband samen en werd veelvuldig gesproken over deze onderwerpen. Gesprekken in de schuur werden in de woning voortgezet, met name door familieleden die deel uit maken van het CSV.
(…)
Op 13 november 2019 is vanwege de strafrechtelijke doorzoeking op de locatie [locatie] te Oss onderzoek verricht aan meerdere camera's die waren aangebracht aan, onder andere, de achterzijde van de schuur, behorende bij perceel [locatie]. De camera's waren gericht op het bosperceel grenzend aan de achterzijde van onder andere de locatie [locatie] te Oss en gaven vanuit een aangesloten en werkend beeldscherm, geplaatst in de betreffende schuur van perceel [locatie] te Oss, beelden van het bosperceel. Tijdens dit onderzoek is vastgesteld dat op het betreffende bosperceel, alwaar de camera's op gericht waren, drie (3) ondergrondse bergruimtes en een ingegraven vat en overige goederen met inhoud werd aangetroffen. Het vermoeden bestaat dat, gelet op de camera's, de tv-schermen en het doel waarvoor de schuur werd gebruikt, de drugs die op het bosperceel werden aangetroffen in verband kunnen worden gebracht met de criminele activiteiten die werden beraamd in de schuur en de woning. In deze ondergrondse ruimten werd een groot aantal kunststofvaten en kartonnen dozen aangetroffen. In deze vaten en dozen werden voornamelijk een groot aantal vuurwapens en onderdelen hiervan maar ook verdovende middelen aangetroffen. Deze zijn voor nader onderzoek in beslag genomen. Dit onderzoek is nog niet afgerond. Inmiddels is vastgesteld dat in ieder geval de volgende stoffen zijn aangetroffen, die indicatief positief zijn getest:
• 110 kilo MDMA pillen (lijst 1 Opiumwet)
• 193 MDMA Kristallen (lijst 1 Opiumwet)
• 49 kilo Amfetamine (lijst 1 Opiumwet)
• 222 liter Amfetamine olie (lijst 1 Opiumwet)
• 3,4 kilo Methamfetamine (kristallen) (lijst 1 Opiumwet)
• 1,5 kilo Ketamine (lijst 1 Opiumwet)
• 0,3 kilo Cocaïne (lijst 1 Opiumwet)
• 0,5 kilo Heroïne (lijst 1 Opiumwet)
• 156,7 plakken Cannabis (hashish) (lijst 2 Opiumwet)".
Naar aanleiding hiervan heeft de burgemeester op 10 maart 2020 opnieuw een voornemen tot sluiting kenbaar gemaakt.
Wat heeft de burgemeester besloten?
2. De burgemeester heeft naar aanleiding van de hiervoor genoemde informatie uit de bestuurlijke rapportages bij besluit van 28 april 2020 het perceel op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet gesloten voor de duur van zes maanden. De woning is feitelijk gesloten geweest vanaf 15 juni 2020. Het daartegen door [appellant A] en [appellante B] gemaakte bezwaar heeft hij ongegrond verklaard.
Wat heeft de rechtbank geoordeeld?
3. De rechtbank heeft - kort samengevat - geoordeeld dat er sprake is van een ruimtelijke en functionele samenhang tussen het bosperceel, de schuur en de woning en dat de burgemeester daarom bevoegd was om de woning te sluiten. Daarnaast is de sluiting volgens de rechtbank niet onevenredig. De burgemeester heeft het tijdsverloop voldoende in zijn besluitvorming betrokken en de sluiting is ook niet onevenwichtig. [appellant A] en [appellante B] hebben weliswaar twee kinderen, maar zij zijn primair zelf verantwoordelijk voor het vinden van vervangende woonruimte. Aan het door [appellant A] en [appellante B] gestelde belang van de gemeente als verhuurder van de woning kan bij de beoordeling van de evenwichtigheid van de sluiting evenmin relevante betekenis worden toegekend. De voor [appellant A] en [appellante B] nadelige gevolgen van de sluiting zijn niet onevenredig in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen en algemene belang, aldus de rechtbank.
Waarom zijn [appellant A] en [appellante B] het niet met de rechtbank eens?
4. [appellant A] en [appellante B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. Volgens [appellant A] en [appellante B] bestaat er geen ruimtelijke en functionele samenhang tussen het bosperceel, de schuur en de woning. Zij wijzen erop dat er in de woning geen druggerelateerde items zijn aangetroffen. Dat de strafrechter heeft aangenomen dat de woning een rol had binnen een crimineel samenwerkingsverband omdat leden van dat verband ook in de woning kwamen, is onvoldoende redengevend om een functionele samenhang aan te nemen tussen het bosperceel en de schuur enerzijds en de woning anderzijds. De rechtbank heeft nagelaten te expliciteren waaruit de specifieke samenhang met de woning bestaat.
Daarnaast betogen [appellant A] en [appellante B] dat de sluiting niet evenredig is. De burgemeester heeft onvoldoende rekening gehouden met het tijdsverloop en de verwijtbaarheid van de bewoners. De rechtbank is in het kader van de verwijtbaarheid te veel gevaren op het nog niet onherroepelijke vonnis van de rechtbank waarbij [appellant A] en [appellante B] zijn veroordeeld voor betrokkenheid bij drugshandel en deelname aan een criminele organisatie. De gemeente heeft ook zelf belang bij sluiting van de woning, omdat dat een buitengerechtelijke grond voor ontbinding van de huurovereenkomst oplevert. Een kortere sluitingsperiode van drie maanden zou aangewezen zijn, aldus [appellant A] en [appellante B].
Beoordeling van het hoger beroep
Hebben [appellant A] en [appellante B] procesbelang?
5. De burgemeester heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting gesteld dat [appellant A] en [appellante B] geen procesbelang hebben.
5.1. Procesbelang is het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat diegene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2531, onder 6.1. 5.2. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant A] en [appellante B] procesbelang. [appellant A] en [appellante B] hebben tijdens de zitting toegelicht dat zij de periode dat hun woning gesloten was bij familie hebben verbleven. Het is niet onaannemelijk dat zij naar aanleiding daarvan kosten hebben moeten maken. Daarnaast hebben zij gedurende de sluiting niet in hun woning kunnen verblijven en is daarmee sprake van een in inbreuk op hun woonrecht. De Afdeling wijst in dit verband op haar eerdere uitspraak van 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:472, onder 5. Het betoog slaagt niet.
Toetsingskader woningsluitingen
6. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep. Was de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?
7. In de rechtspraak van de Afdeling is als criterium ontwikkeld dat van belang is of er een zodanige relatie bestaat tussen de onderscheiden (delen van) bouwwerken dat die als één geheel moeten worden beschouwd. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Als een dergelijke samenhang bestaat, dan strekt de bevoegdheid zich uit tot dat geheel, ongeacht of in de onderscheiden onderdelen al dan niet handelsvoorraden drugs zijn aangetroffen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3947, onder 11. 7.1. De rechtbank is gemotiveerd ingegaan op het betoog dat de burgemeester niet bevoegd zou zijn om tot sluiting over te gaan wegens het ontbreken van ruimtelijke en functionele samenhang tussen de woning, de schuur en het bosperceel. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 13 tot en met 19 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij wijst er daarbij op dat in de bestuurlijke rapportage van 9 december 2019 staat dat er in de slaapkamer in de woning in een verborgen ruimte een bedrag van 256.650,00 aan euro’s en Deense kronen is aangetroffen, evenals een bedrag van € 6.244,00 op verschillende plekken in de woning. Alle andere omstandigheden daargelaten, blijkt alleen hieruit al functionele samenhang van de woning met de schuur en het bosperceel. Tijdens de zitting hebben [appellant A] en [appellante B] erkend dat de strafrechter onherroepelijk heeft vastgesteld dat de bedragen toebehoren aan het criminele samenwerkingsverband waar zij deel van uitmaakten.
Het betoog slaagt niet.
Is sluiting van het perceel een geschikt middel?
8. Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan zich immers de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat de woning moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant. Zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit zal de burgemeester moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt. In het geval de burgemeester zijn doelen nog wel kan bereiken, dient hij de noodzaak van de sluiting te beoordelen.
8.1. Op 13 november 2019 heeft het politieonderzoek op het perceel plaatsgevonden. Vervolgens heeft de burgemeester op 9 december 2019 de bestuurlijke rapportage daarvan ontvangen en naar aanleiding daarvan heeft hij op 13 januari 2020 en later nogmaals op 10 maart 2020 een voornemen om tot sluiting over te gaan kenbaar gemaakt. De burgemeester is vervolgens met zijn besluit van 29 april 2020 overgegaan tot sluiting van het perceel. De Afdeling is van oordeel dat het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting is overgegaan, niet dermate lang is geweest dat sluiting van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer kon bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. De burgemeester heeft er daarbij terecht op gewezen dat de overtreding is dit geval zeer ernstig was. Ten tijde van de sluiting was nog volop onderzoek gaande naar de omvang van de overtreding en de kring van betrokkenen daarbij. Duidelijk was wel dat het om een zeer omvangrijke overtreding ging en dat daarbij een crimineel samenwerkingsverband betrokken was, vermoedelijk in een internationale context. De schuur diende als ‘kantoor’ en speelde een centrale rol in het criminele samenwerkingsverband. Niet uitgesloten kon worden dat het gebruik van de woning en schuur voor criminele activiteiten zou worden hervat, omdat het onderzoek nog niet was afgerond. De burgemeester heeft daarmee deugdelijk gemotiveerd dat ten tijde van het besluit van 29 april 2020 de sluiting een geschikt middel was.
Het betoog slaagt niet.
Was de sluiting van de woning evenwichtig?
9. De gronden die [appellant A] en [appellante B] in hoger beroep hebben aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant A] en [appellante B] hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 23 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De burgemeester heeft zich op het standpunt mogen stellen dat [appellant A] en [appellante B] in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor het vinden van vervangende woonruimte. Hij heeft daarnaast hulp aangeboden voor het geval dat niet zou lukken. [appellant A] en [appellante B] hebben niet van dat aanbod gebruik gemaakt, zodat de burgemeester ervan mocht uitgaan dat zij zelf vervangende woonruimte konden regelen. Achteraf is ook gebleken dat zij zelf vervangende woonruimte bij familie hebben kunnen regelen.
Het betoog slaagt niet.
Heeft de burgemeester oneigenlijk gehandeld?
10. Het betoog van [appellant A] en [appellante B] dat de burgemeester zelf een belang bij sluiting heeft, vat de Afdeling op als een betoog dat de burgemeester door het sluiten van de woning oneigenlijk heeft gehandeld.
10.1. [appellant A] en [appellante B] hebben er tijdens de zitting nogmaals op gewezen dat in 2016 is geoordeeld dat het gemeentelijk uitsterfbeleid voor woonwagenkampen niet gehanteerd mocht worden. De woonwagencultuur is sinds 2014 beschermd erfgoed. Door direct na sluiting te kiezen voor ontbinding van de huurovereenkomst via een civiele procedure heeft de gemeente er blijk van gegeven dat zij [appellant A] en [appellante B] na het opleggen van een herstelsanctie geen nieuwe kans wil geven. [appellant A] en [appellante B] voelen zich weggepest en hebben op geen enkele manier ruimte ervaren vanuit de gemeente of burgemeester om tot een oplossing te komen. De burgemeester heeft de sluiting gebruikt om alsnog uitvoering te kunnen geven aan het uitsterfbeleid, aldus [appellant A] en [appellante B].
10.2. De Afdeling volgt het betoog van [appellant A] en [appellante B] niet. [appellant A] en [appellante B] hebben hun stelling dat de burgemeester oneigenlijk handelt om alsnog uitvoering te kunnen geven aan het gemeentelijk uitsterfbeleid niet onderbouwd. De burgemeester heeft er daarnaast terecht op gewezen dat zich een ernstige situatie voordeed naar aanleiding waarvan hij op grond van artikel 13b van de Opiumwet handhavend mocht optreden. Dat [appellant A] en [appellante B] woonwagenkampbewoners zijn, is daarbij niet relevant, aangezien de wet ook voor hen geldt. Van oneigenlijk handelen door de burgemeester is niet gebleken.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
11. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
Proceskosten
12. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Meerman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
960