ECLI:NL:RVS:2025:6169
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke handhaving illegale wooneenheden in woonboerderij
Het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn legde appellant A en appellante B een last onder dwangsom op wegens het realiseren van vier wooneenheden in een woonboerderij, terwijl slechts één burgerwoning is toegestaan. Dit volgde op een handhavingsverzoek van een buurbedrijf. Appellant A maakte bezwaar tegen het besluit, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
Appellant A en appellante B stelden hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het beroep tegen het niet-ontvankelijkheidsbesluit alleen door appellant A was ingesteld, waardoor het oordeel van de rechtbank over het beroep van appellante B niet rechtsgeldig was. Dit deel van de uitspraak werd vernietigd. Het hoger beroep van appellant A werd inhoudelijk behandeld en afgewezen omdat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.
De Afdeling motiveerde dat appellant A, ondanks haar werkzaamheden in het buitenland, voldoende gelegenheid had om haar post te laten beheren en dat haar omstandigheden onvoldoende waren om de termijnoverschrijding te rechtvaardigen. Het college hoefde appellant A niet nader te horen over de termijnoverschrijding. De proceskosten werden deels toegewezen aan appellante B. De uitspraak bevestigt de handhaving tegen de illegale wooneenheden en benadrukt het belang van tijdige bezwaarprocedures.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant A wordt ongegrond verklaard en het beroep van appellante B gegrond, waarbij de uitspraak van de rechtbank deels wordt vernietigd.