ECLI:NL:RBGEL:2026:1200

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
ARN 24_7832
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 5:33 AwbArt. 5:39 AwbArt. 6:6 AwbArt. 6:7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar en invordering dwangsommen wegens overtreding omgevingsplan

Eiser kreeg op 8 maart 2024 een last onder dwangsom opgelegd wegens het stallen van circa 33 auto's op een woonbestemming zonder vergunning, in strijd met het omgevingsplan van de gemeente Epe. Eiser diende zijn bezwaarschrift op 2 mei 2024 in, dertien dagen te laat. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

De rechtbank oordeelt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, ondanks de persoonlijke omstandigheden van eiser, waaronder stress en mantelzorgtaken. De last onder dwangsom is daarmee onherroepelijk geworden. Controle-inspecties bevestigden dat de overtreding niet tijdig werd beëindigd, waardoor meerdere dwangsommen van rechtswege verbeurd zijn.

Het college nam invorderingsbesluiten voor de verbeurde dwangsommen. Eiser voerde aan dat de overtreding in augustus 2024 was beëindigd en dat hij financieel niet in staat is de dwangsommen te betalen. De rechtbank stelt vast dat de inspectieverslagen juist zijn en dat eiser onvoldoende bewijs leverde van zijn financiële draagkracht om invordering te voorkomen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar en de rechtmatigheid van de invordering van de dwangsommen. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de invordering van de verbeurde dwangsommen wordt bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7832

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.C.H. Pronk),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe

(gemachtigde: mr. M. van de Beek).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep tegen de beslissing op bezwaar waarin het bezwaar van eiser tegen de aan hem opgelegde last onder dwangsom kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Ook gaat het in deze uitspraak over de twee invorderingsbesluiten die het college heeft genomen. Eiser is het niet eens met deze besluiten en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing op bezwaar en de invorderingsbesluiten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Ook komt de rechtbank in deze uitspraak tot het oordeel dat de last is overtreden en het college daarom kon overgaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 8 maart 2024 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan eiser. Eiser heeft op 2 mei 2024 een bezwaarschrift ingediend. Op 18 september 2024 heeft het college het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Op 10 december 2024 en 2 mei 2025 heeft het college invorderingsbesluiten genomen.
2.3.
Op 12 juni 2025 heeft eiser aanvullende gronden, mede gericht tegen de invorderingsbesluiten, ingediend. Het college heeft hierop gereageerd met een aanvullend verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser samen met [persoon A] (broer van eiser), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college samen met [persoon B] . Het beroep is gelijktijdig op zitting behandeld met de zaak ARN 24/7561 (over de last onder dwangsom en het invorderingsbesluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn).

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser woont op het perceel [locatie] in [plaats] . Op 8 november 2023 hebben toezichthouders van het college samen met de toezichthouders van de gemeente Apeldoorn ambtshalve een controle uitgevoerd op het perceel van eiser. Er is geconstateerd dat er ongeveer 33 auto’s op het perceel zijn gestald. Volgens het college is het stallen van de auto’s in strijd met het omgevingsplan van de gemeente Epe. Het college heeft daarom op 29 januari 2024 een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom aan eiser gestuurd.
3.1.
Op 7 februari 2024 heeft de broer van eiser mondeling een reactie gegeven op het voornemen. Op 21 februari 2024 heeft de broer van eiser een aanvulling op de zienswijze per e-mail gegeven.
3.2.
Op 8 maart 2024 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd, omdat de gronden met de bestemming “Wonen”, zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning, werden gebruikt voor het stallen van auto’s. [1] Eiser moest deze overtreding beëindigen door het aantal gestalde auto’s op de bestemming “Wonen” terug te brengen tot maximaal vijf. Het college heeft een begunstigingstermijn gegeven tot 30 april 2024. Aan deze last heeft het college een dwangsom verbonden van € 5.000,- per vier weken (of een gedeelte daarvan) tot een maximum van € 25.000,-.
3.3.
Op 1 mei 2024 heeft eiser per aangetekende post een bezwaarschrift ingediend. Dit is door het college ontvangen op 2 mei 2024.
3.4.
Het college heeft eiser op 2 mei 2024 in de gelegenheid gesteld om voor 23 mei 2024 een schriftelijke verklaring te geven waarom het bezwaarschrift buiten de bezwaartermijn is ingediend.
3.5.
Op 7 juni 2024 vraagt eiser om uitstel van de reactietermijn. Eiser heeft uiteindelijk geen reden gegeven voor het indienen van het bezwaarschrift na het verstrijken van de bezwaartermijn.
3.6.
Op 3 september 2024 heeft het college het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het college is het bezwaar te laat ingediend en is er geen sprake van verschoonbare termijnoverschrijding.
3.7.
Op 18 juni 2024 hebben de toezichthouders van het college een controle uitgevoerd. Daarbij is geconstateerd dat op de bestemming “Wonen” nog 31 auto’s waren gestald en de overtreding dus niet was beëindigd. Het college heeft daarom op 10 december 2024 besloten de volgens hem verbeurde dwangsommen van € 10.000,- (twee keer € 5.000,-) in te vorderen.
3.8.
Op 9 december 2024 hebben de toezichthouders van het college wederom een controle uitgevoerd. Daarbij is geconstateerd dat er twaalf auto’s en twee aanhangers op de bestemming “Wonen” waren gestald. Vervolgens heeft het college met eiser afgesproken dat hij tot eind januari 2025 de tijd krijgt om aan de lastgeving te voldoen. Op 19 februari 2025 is een hercontrole uitgevoerd. Geconstateerd is dat het aantal auto’s niet is teruggebracht. Het college heeft daarom op 2 mei 2025 besloten de volgens hem verbeurde dwangsommen van € 15.000,- (drie keer € 5.000,-) in te vorderen. [2]

De last onder dwangsom

Is het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard?
4. Eiser betoogt dat hij niet goed kon begrijpen wat de implicaties zijn van het besluit. Op 8 november 2023 hebben de politie en de gemeente volgens eiser “een inval” gedaan bij hem en andere woonlocaties van zijn familie. Daarbij heeft de broer van eiser een posttraumatische stressstoornis opgelopen door een herbeleving van een in Afghanistan opgelopen trauma. Ook is de schoonzus van eiser, die toen hoogzwanger was, getraumatiseerd geraakt. Vervolgens liep haar bevalling begin 2024 moeizaam. Eiser heeft een deel van de zorg voor zijn familie op zich genomen. Daar komt bij dat eiser in maart en april 2024 ernstige hartklachten had waarvoor hij bij een cardioloog in behandeling was. De hartklachten kwamen door stress van zijn werk, als tandarts op drie verschillende locaties, en als mantelzorger voor zijn familie. Volgens eiser is het gelet op zijn persoonlijke omstandigheden niet zorgvuldig van het college om hier geen rekening te houden. Het college mocht volgens eiser niet een zeer strikte interpretatie hanteren voor het indienen van een bezwaarschrift. Op de zitting heeft eiser betoogd dat uit artikel 6:6 van Pro de Awb volgt dat een belangenafweging moet plaatsvinden. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 6:11 van Pro de Awb volgt dat niet-ontvankelijkheid achterwege moet blijven als de bezwaarmaker niet in verzuim is. Dit houdt volgens eiser in dat wanneer een bezwaarmaker verwijtbaar te laat is, men nog altijd terugvalt op de hoofdregel van artikel 6:6 van Pro de Awb dat er een belangenafweging gemaakt moet worden. Als er geen sprake is van verwijtbaarheid, dan moet men overgaan tot een inhoudelijke behandeling van het bezwaarschrift. Tot slot heeft eiser op de zitting betoogt dat hij de post niet heeft ontvangen.
In het beroepschrift heeft eiser ook betoogd dat hij een Afghaanse achtergrond heeft en de Nederlandse taal niet goed machtig is. Dit argument heeft eiser op de zitting ingetrokken.
4.1.
Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [3] Deze termijn begint te lopen na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [4] Dat is in dit geval de dag na de dag waarop het besluit is uitgereikt of toegezonden. [5] Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [6]
4.2.
De rechtbank stelt vast dat de last onder dwangsom op 8 maart 2024 per aangetekende post aan eiser is verzonden. Eiser kon dus tot en met 19 april 2024 een bezwaarschrift indienen. Op 9 maart 2024 heeft PostNL gepoogd de post bij eiser te bezorgen. Omdat dit niet is gelukt, is de post naar een PostNL-punt gebracht. Op 26 maart 2024 heeft PostNL de zending retour gestuurd naar het college, omdat het niet is afgehaald. Op 11 april 2024 heeft het college per gewone post een kopie van het besluit naar eiser toegestuurd. Het staat tussen partijen niet ter discussie dat eiser pas op 2 mei 2024 bezwaar heeft gemaakt tegen de last onder dwangsom. Het bezwaarschrift is daarmee dertien dagen te laat ingediend.
4.3.
Omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend, beoordeelt de rechtbank of zij de niet tijdige indiening van het bezwaarschrift verschoonbaar vindt. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [7] Daarvoor is ten eerste vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. Bijzondere omstandigheden bij de indiener kunnen persoonlijke omstandigheden of externe omstandigheden zijn. Als de indiener als gevolg van deze omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt van de termijnoverschrijding, kan de termijnoverschrijding niet aan de indiener worden toegerekend. Daarnaast is er ruimte om in gevallen waarin sprake is van een slechts geringe verwijtbaarheid met betrekking tot de termijnoverschrijding, deze niet aan de indiener toe te rekenen. Of sprake is van een geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. [8]
4.4.
Op de zitting heeft eiser betoogd dat hij de post niet ontvangen heeft. De rechtbank stelt vast dat eiser dit niet eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht. Ook heeft eiser dit niet aangegeven tijdens de bezwaarprocedure bij het college. De rechtbank stelt voorop dat het college de last onder dwangsom van 8 maart 2024 op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt door aangetekende verzending aan eiser. [9] Uit de Track&Trace van PostNL blijkt dat het op 9 maart 2024 niet gelukt is om de post te bezorgen. Het is daarom naar een PostNL-punt gegaan. Dat eiser vervolgens de post niet heeft afgehaald, komt voor zijn risico. Eiser is daarnaast wel bekend geworden met de last onder dwangsom, want eiser heeft op 1 mei 2024 per aangetekende post het bezwaarschrift, met datum 20 april 2024, verzonden. In dat bezwaarschrift geeft eiser ook aan dat hij niet in staat is om de auto’s voor 30 april 2024 te verplaatsen. Eiser refereert daarmee aan de begunstigingstermijn. De rechtbank acht het daarom niet aannemelijk dat eiser de post niet heeft ontvangen. Omdat eiser niet heeft kunnen verklaren wanneer hij wel bekend is geraakt met de last onder dwangsom, kan de rechtbank ook niet beoordelen of eiser zo snel als mogelijk een bezwaarschrift heeft ingediend.
4.5.
De rechtbank begrijpt verder uit het betoog van eiser en dat wat hij hierover op de zitting heeft verklaard dat de controle van 8 november 2023 voor hem voelde als een inval. De rechtbank begrijpt dat dit veel impact kan hebben, ook gelet op het tijdstip van de controle om 06:00 uur ’s ochtends. Er moet wel sprake zijn van omstandigheden die maken dat eiser niet tijdig bezwaar heeft kunnen maken. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser klachten ervaart door stress vanwege werkdruk en de zorg voor zijn familie, heeft eiser dit niet met stukken onderbouwd. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat de controle van 8 november 2023 dusdanige gevolgen heeft gehad voor eiser dat hij niet bij machte was om tijdig een bezwaarschrift in te dienen. De controle vond daarnaast plaats op 8 november 2023 en de last onder dwangsom is opgelegd op 8 maart 2024. Daar zitten vier maanden tussen. Uit het dossier maakt de rechtbank ook op dat het eiser wel gelukt is om tijdig een zienswijze in te dienen tegen het voornemen tot het opleggen van de last onder dwangsom. Zonder af te doen aan de situatie waarin eiser verkeerde, ziet de rechtbank geen aanleiding om de termijnoverschrijding van eiser verschoonbaar te achten. Het college heeft in dat wat eiser heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding hoeven zien om toepassing van artikel 6:6 Awb Pro achterwege te laten. De beroepsgrond slaagt niet.
4.6.
Alles overwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard is in zijn bezwaar. De rechtbank komt daarom niet toe aan de inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden die gericht zijn tegen de last onder dwangsom. Dit betekent dat de last onder dwangsom onherroepelijk is. De rechtbank moet er daarom vanuit gaan dat de last terecht is opgelegd.

De invorderingsbesluiten

Is de last overtreden?
5. Eiser betoogt dat in augustus 2024 de voertuigen zijn verwijderd van het perceel. Het is daarom volgens eiser onterecht dat er pas in 2025 wordt ingevorderd over een periode ruim daarvoor. Bovendien was er op het moment van de invorderingsbesluiten geen overtreding meer.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat het college zich in het invorderingsbesluit van 10 oktober 2024 heeft gebaseerd op het inspectieverslag van de toezichthouder van 18 juni 2024. Uit het inspectieverslag van 18 juni 2024 volgt dat op het grondgebied van de gemeente Epe in totaal 31 auto’s staan. Hieruit blijkt dat de eerste en tweede dwangsom van rechtswege (automatisch) zijn verbeurd op 1 mei en 29 mei 2024. In het invorderingsbesluit van 2 mei 2025 heeft het college zich gebaseerd op het inspectieverslag van de toezichthouder van 9 december 2024. Uit het inspectieverslag volgt dat er nog twaalf auto’s en twee aanhangers op de woonbestemming aanwezig waren. Op 7 januari 2025 heeft het college een telefonische afspraak met eiser gemaakt dat eiser de hele maand januari de tijd zou krijgen om het aantal auto’s op het perceel terug te brengen tot maximaal vijf auto’s. Op 19 februari 2025 heeft de toezichthouder opnieuw een controle uitgevoerd. Bij deze controle zijn twaalf auto’s en twee aanhangers aangetroffen op de woonbestemming. Dit betekent dat de overtreding niet tijdig is beëindigd, en de laatste drie dwangsommen ook van rechtswege zijn verbeurd op 26 juni, 24 juli en 21 augustus 2024.
5.2.
Een bestuursorgaan mag, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend rapport, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. [10]
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich bij de invorderingsbesluiten mocht baseren op de inspectieverslagen van de toezichthouder. Eiser betoogt weliswaar dat hij de overtreding in augustus 2024 al heeft beëindigd, maar uit de inspectieverslagen blijkt dat de auto’s niet (tijdig) verwijderd zijn. Bovendien volgt uit de last onder dwangsom dat eiser tot 30 april 2024 de tijd had om de overtreding te beëindigen zonder een dwangsom te verbeuren. Dat heeft eiser niet tijdig gedaan, zodat de dwangsommen van rechtswege verbeurd zijn. Er ontstaat dan direct een betalingsverplichting voor eiser. [11] Omdat de last niet tijdig is nageleefd en de dwangsommen van rechtswege zijn verbeurd, was het college ook bevoegd om de invorderingsbesluiten te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn er bijzondere omstandigheden om van invordering af te zien?
6. Bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. [12]
Financiële draagkracht
7. Eiser betoogt dat hij door zijn psychische gesteldheid geen inkomsten heeft. De dwangsommen zijn dusdanig hoog dat hij dit niet kan betalen. Eiser moet dan wellicht zijn huis verkopen en wordt dan onevenredig getroffen. Op de zitting heeft eiser aangegeven dat hij schulden heeft. Ook heeft hij een toevoeging gekregen voor de rechtsbijstand van zijn gemachtigde.
7.1.
De rechtbank merkt allereerst op dat de hoogte van de dwangsommen als zodanig niet ter discussie staat, omdat de rechtbank de last onder dwangsom niet inhoudelijk beoordeelt. De rechtbank oordeelt dat het college bij een besluit over de invordering van een verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening hoeft te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding, als evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. Op de overtreder, in dit geval eiser, rust de last om aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij moet daartoe zodanige informatie verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben. [13]
7.2.
Eiser heeft in dit geval niet aannemelijk gemaakt dat deze situatie zich in zijn geval voordoet. Uit het beroepschrift kan niet worden afgeleid dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om de verbeurde dwangsommen te betalen. Dat eiser op de zitting heeft aangegeven dat hij schulden heeft en een toevoeging heeft gekregen, maakt dat niet anders. Daarmee heeft eiser namelijk niet zodanige informatie verstrekt dat een volledig en betrouwbaar inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat de invorderingsbesluiten niet evenredig zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college het bezwaar van eiser tegen de last onder dwangsom terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ook mocht het college overgaan tot het invorderen van de verbeurde dwangsommen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit is een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.
2.Op grond van artikel 5:39 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maken de invorderingsbesluiten van rechtswege onderdeel uit van het beroep tegen de last onder dwangsom.
3.Artikel 6:7 van Pro de Awb.
4.Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
5.Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.
6.Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
7.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
8.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6169.
9.Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.
10.Uitspraak van de Afdeling van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5480
11.Dit volgt uit artikel 5:33 van Pro de Awb.
12.Zie bijvoorbeeld ELCI:NL:RVS:2025:887.
13.Uitspraak van de Afdeling van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5480.