ECLI:NL:RBGEL:2026:1205

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
ARN 24_7561
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 5:33 AwbArt. 5:35 AwbArt. 5:39 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar last onder dwangsom en invordering dwangsommen gemeente Apeldoorn

Eiser ontving op 7 maart 2024 een last onder dwangsom van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn wegens het stallen van voertuigen en auto-onderdelen op gronden met de bestemming 'Natuur' zonder vergunning. Eiser diende zijn bezwaarschrift op 30 april 2024 in, twaalf dagen na de wettelijke termijn van zes weken. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens deze termijnoverschrijding, zonder dat sprake was van verschoonbare omstandigheden.

Eiser voerde persoonlijke omstandigheden aan, waaronder stress door een politiecontrole, familieproblemen en gezondheidsklachten, maar kon deze niet met bewijs onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden onvoldoende waren om de termijnoverschrijding te verontschuldigen. Het bezwaar werd daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de last onder dwangsom onherroepelijk werd.

Daarnaast nam het college een invorderingsbesluit voor de verbeurde dwangsommen over de eerste twee maanden, gebaseerd op een inspectieverslag waarin nog overtredingen werden geconstateerd. Eiser stelde dat de overtreding was beëindigd voordat het invorderingsbesluit werd genomen, maar de rechtbank vond dat het college terecht op het inspectieverslag mocht vertrouwen en dat de dwangsommen rechtsgeldig waren verbeurd.

Eiser voerde financiële problemen aan als bijzondere omstandigheid om invordering te voorkomen, maar leverde onvoldoende bewijs van zijn draagkracht. De rechtbank oordeelde dat het college niet verplicht is rekening te houden met financiële draagkracht bij invordering, tenzij duidelijk is dat betaling onmogelijk is. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard; het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk en de dwangsommen mogen worden ingevorderd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7561

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.C.H. Pronk),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn

(gemachtigde: mr. E . E . de Jong).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep tegen de beslissing op bezwaar waarin het bezwaar van eiser tegen de aan hem opgelegde last onder dwangsom kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Ook gaat het in deze uitspraak over het invorderingsbesluit dat het college heeft genomen. Eiser is het niet eens met deze besluiten en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing op bezwaar en het invorderingsbesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiser terecht niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar. Ook komt de rechtbank tot het oordeel dat het college de verbeurde dwangsommen mocht invorderen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 7 maart 2024 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan eiser. Eiser heeft op 30 april 2024 een bezwaarschrift ingediend. Op 11 september 2024 heeft het college het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.2.
Op 19 september 2024 heeft het college een invorderingsbesluit genomen. Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend gericht tegen het invorderingsbesluit.
2.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser samen met [persoon A] (broer van eiser) en de gemachtigde van eiser. De gemachtigde van het college heeft digitaal deelgenomen (via Microsoft Teams). Het beroep is gelijktijdig op zitting behandeld met de zaak ARN 24/7832 (over de last onder dwangsom en de invorderingsbesluiten van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe).

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser woont op het perceel [locatie] in [plaats] . Het naastgelegen perceel, [sectie] [nummer] , is in eigendom van eiser. Dit perceel valt binnen de gemeente Apeldoorn. Op 8 november 2023 hebben toezichthouders van het college samen met de toezichthouders van de gemeente Epe ambtshalve een controle uitgevoerd op het perceel van eiser. Er is geconstateerd dat er verschillende voertuigen en auto-onderdelen zijn gestald op de gronden met de bestemming “Natuur”. Dit is volgens het college in strijd met het omgevingsplan van de gemeente Apeldoorn. Het college heeft daarom op 29 januari 2024 een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom aan eiser gestuurd.
3.1.
Op 7 februari 2024 heeft de broer van eiser namens eiser een schriftelijke zienswijze ingediend. Op 12 februari 2024 heeft de broer van eiser een mondelinge zienswijze gegeven.
3.2.
Op 7 maart 2024 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd, omdat de gronden met de bestemming “Natuur”, zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning, werden gebruikt voor de opslag van verschillende voertuigen (auto’s en overige voertuigen) en auto-onderdelen. [1] Eiser moest deze overtreding beëindigen en beëindigd houden door:
  • de opslag van auto’s binnen het desbetreffende perceel (kadastraal bekend als gemeente Apeldoorn, sectie [sectie] , nummer [nummer] ) te beëindigen en beëindigd te houden;
  • de opslag van overige voertuigen binnen het desbetreffende perceel (kadastraal bekend als gemeente Apeldoorn, sectie [sectie] , nummer [nummer] ) te beëindigen en beëindigd te houden;
  • de opslag van auto-onderdelen, zoals autobanden, binnen het desbetreffende perceel (kadastraal bekend als gemeente Apeldoorn, sectie [sectie] , nummer [nummer] ) te beëindigen en beëindigd te houden.
Het college heeft een begunstigingstermijn gegeven tot 30 april 2024. Aan deze last heeft het college een dwangsom verbonden van € 3.000,- per maand, met een maximum van € 18.000,-.
3.3.
Op 29 april 2024 heeft eiser per gewone post een bezwaarschrift ingediend. Dit is door het college ontvangen op 30 april 2024.
3.4.
Op 7 mei 2024 heeft het college per e-mail aan eiser gevraagd of de brief moet worden aangemerkt als een bezwaarschrift of als een verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn. Het college heeft eiser gevraagd om uiterlijk 21 mei 2024 een reactie te geven.
3.5.
Op 28 mei 2024 heeft het college, bij uitblijven van een reactie van eiser, de brief aangemerkt als bezwaarschrift. Daarbij heeft het college eiser in de gelegenheid gesteld aan te geven waarom het bezwaarschrift na de bezwaartermijn is ingediend.
3.6.
Op 7 juni 2024 verzoekt eiser om uitstel van de reactietermijn. Op 29 juli 2024 geeft eiser zijn reden voor de termijnoverschrijding van de bezwaartermijn.
3.7.
Op 11 september 2024 heeft het college het bezwaar van eiser kennelijk niet ontvankelijk verklaard. Volgens het college is het bezwaar te laat ingediend en is er geen sprake van verschoonbare termijnoverschrijding.
3.8.
Op 18 juni 2024 hebben de toezichthouders van het college een controle uitgevoerd. Daarbij is geconstateerd dat op de bestemming “Natuur” 16 auto’s staan.
3.9.
Het college heeft op 27 juni 2024 een voornemen tot het invorderen van de verbeurde dwangsommen verstuurd. Op 9 september 2024 heeft het college een invorderingsbesluit genomen voor de verbeurde dwangsommen over de eerste en tweede periode van een maand, van in totaal € 6.000,-.
3.10.
Op 31 oktober 2024 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend tegen het invorderingsbesluit. Het college heeft dit bezwaarschrift doorgestuurd naar de rechtbank. [2]

De last onder dwangsom

Is het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard?
4. Eiser betoogt dat hij niet goed kon begrijpen wat de implicaties zijn van het besluit en de wettelijke termijnen. Op 8 november 2023 hebben de politie en de gemeente volgens eiser “een inval” gedaan bij hem en andere woonlocaties van zijn familie. Daarbij heeft de broer van eiser een posttraumatische stressstoornis opgelopen door een herbeleving van een in Afghanistan opgelopen trauma. Ook is de schoonzus van eiser, die toen hoogzwanger was, getraumatiseerd geraakt. Vervolgens liep haar bevalling begin 2024 moeizaam. Eiser heeft een deel van de zorg voor zijn familie op zich genomen. Daar komt bij dat eiser in maart en april 2024 ernstige hartklachten had, waarvoor hij bij een cardioloog in behandeling was. De hartklachten kwamen door stress van zijn werk, als tandarts op drie verschillende locaties, en als mantelzorger voor zijn familie. Volgens eiser is het niet zorgvuldig dat het college geen rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Op de zitting heeft eiser betoogd dat uit artikel 6:6 van Pro de Awb volgt dat er een belangenafweging moet plaatsvinden. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 6:11 van Pro de Awb volgt dat niet-ontvankelijkheid achterwege moet blijven als de bezwaarmaker niet in verzuim is. Dit houdt volgens eiser in dat wanneer een bezwaarmaker verwijtbaar te laat is, men nog altijd terugvalt op de hoofdregel van artikel 6:6 van Pro de Awb dat er een belangenafweging gemaakt moet worden. Als er geen sprake is van verwijtbaarheid, dan moet het college overgaan tot een inhoudelijke behandeling van het bewaarschrift. In het beroepschrift heeft eiser ook betoogd dat hij een Afghaanse achtergrond heeft en de Nederlandse taal niet goed machtig is. Dit argument heeft eiser op de zitting ingetrokken.
4.1.
Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [3] Deze termijn begint te lopen na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [4] Dat is in dit geval de dag na de dag waarop het besluit is uitgereikt of toegezonden. [5] Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [6]
4.2.
De rechtbank stelt vast dat de last onder dwangsom op 7 maart 2024 per aangetekende post aan eiser is uitgereikt. Eiser kon dus tot en met 18 april 2024 een bezwaarschrift indienen. Op 8 maart 2024 heeft PostNL om 12:55 uur de post bezorgd. Het staat niet tussen partijen ter discussie dat eiser op 30 april 2024 bezwaar heeft gemaakt tegen de last onder dwangsom. Het bezwaarschrift is daarmee twaalf dagen te laat ingediend.
4.3.
Omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend, beoordeelt de rechtbank of zij de niet tijdige indiening van het bezwaarschrift verschoonbaar vindt. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [7] Daarvoor is ten eerste vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. Bijzondere omstandigheden bij de indiener kunnen persoonlijke omstandigheden of externe omstandigheden zijn. Als de indiener als gevolg van deze omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt van de termijnoverschrijding, kan de termijnoverschrijding niet aan de indiener worden toegerekend. Daarnaast is er ruimte om in gevallen waarin sprake is van een slechts geringe verwijtbaarheid met betrekking tot de termijnoverschrijding, deze niet aan de indiener toe te rekenen. Of sprake is van een geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. [8]
4.4.
De rechtbank begrijpt uit het betoog van eiser en dat wat hij hierover op de zitting heeft verklaard dat de controle van 8 november 2023 voor hem voelde als een inval. De rechtbank begrijpt ook dat dit veel impact kan hebben, ook gelet op het tijdstip van de controle om 06:00 uur ’s ochtends. Er moet wel sprake zijn van omstandigheden die maken dat eiser niet tijdig bezwaar heeft kunnen maken. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser klachten ervaart door stress vanwege werkdruk en de zorg voor zijn familie, heeft eiser dit niet met stukken onderbouwd. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat de controle van 8 november 2023 dusdanige gevolgen heeft gehad voor eiser, dat hij niet bij machte was om tijdig een bezwaarschrift in te dienen. De controle vond daarnaast plaats op 8 november 2023 en de last onder dwangsom is opgelegd op 7 maart 2024. Daar zitten vier maanden tussen. Uit het dossier maakt de rechtbank ook op dat het eiser wel gelukt is om tijdig een zienswijze in te dienen tegen het voornemen tot het opleggen van de last onder dwangsom. Zonder af te doen aan de situatie waarin eiser verkeerde, ziet de rechtbank geen aanleiding om de termijnoverschrijding van eiser verschoonbaar te achten. Het college heeft in dat wat eiser heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding hoeven zien om toepassing van artikel 6:6 Awb Pro achterwege te laten. De beroepsgrond slaagt niet.
4.5.
Alles overwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard is in zijn bezwaar. De rechtbank komt daarom niet toe aan de inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden die gericht zijn tegen de last onder dwangsom. Dit betekent dat de last onder dwangsom onherroepelijk is. De rechtbank moet er daarom vanuit gaan dat de last terecht is opgelegd.

Het invorderingsbesluit

Is de last overtreden?
5. Eiser betoogt dat de auto’s en auto-onderdelen zijn verwijderd ruim voordat het college is overgegaan tot invordering van de dwangsommen. Eiser is er daarom vanuit gegaan dat er geen dwangsommen zijn verbeurd.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat het college zich in het invorderingsbesluit van 9 september 2024 heeft gebaseerd op het inspectieverslag van de toezichthouder van 18 juni 2024. Uit het inspectieverslag van 18 juni 2024 volgt dat er 16 auto’s op het perceel [sectie] [nummer] stonden.
5.2.
Een bestuursorgaan mag, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend rapport, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. [9]
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich bij het invorderingsbesluit mocht baseren op het inspectieverslag van de toezichthouder. Uit de last onder dwangsom volgt dat eiser tot 30 april 2024 de tijd had om de overtreding te beëindigen zonder een dwangsom te verbeuren. Dat heeft eiser niet tijdig gedaan, zodat de dwangsommen van rechtswege verbeurd zijn. Er ontstaat dan direct een betalingsverplichting voor eiser. [10] Omdat de last niet tijdig is nageleefd en de dwangsommen van rechtswege zijn verbeurd, was het college ook bevoegd om het invorderingsbesluit te nemen. Dat de auto’s op het moment van het invorderingsbesluit niet meer aanwezig zouden zijn, maakt dat niet anders. De rechtsvordering die het college op eiser heeft is nog niet verjaard. [11] De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn er bijzondere omstandigheden om van invordering af te zien?
6. Bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. [12]
Financiële draagkracht
7. Eiser betoogt dat hij door zijn psychische klachten niet kan werken en daardoor geen inkomsten heeft. Hij kan de dwangsommen daarom niet betalen. Ook heeft eiser zijn laatste geld moeten gebruiken om de auto’s te laten vervoeren naar een opslaglocatie. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij schulden heeft. Ook heeft hij een toevoeging gekregen voor de rechtsbijstand van zijn gemachtigde.
7.1.
De rechtbank merkt allereerst op dat de hoogte van de dwangsommen als zodanig niet ter discussie staat, omdat de rechtbank de last onder dwangsom niet inhoudelijk beoordeelt. De rechtbank oordeelt dat het college bij een besluit over de invordering van een verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening hoeft te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding, als evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. Op de overtreder, in dit geval eiser, rust de last om aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij moet daartoe zodanige informatie verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben. [13]
7.2.
Eiser heeft in dit geval niet aannemelijk gemaakt dat deze situatie zich in zijn geval voordoet. Uit het beroepschrift kan niet worden afgeleid dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om de verbeurde dwangsommen te betalen. Dat eiser op de zitting heeft aangegeven dat hij schulden heeft en een toevoeging heeft gekregen, maakt dat niet anders. Daarmee heeft eiser namelijk niet zodanige informatie verstrekt dat een volledig en betrouwbaar inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat het invorderingsbesluit niet evenredig is. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ook mocht het college overgaan tot het invorderen van de verbeurde dwangsommen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit is een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.
2.Op grond van artikel 5:39 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit bezwaar van rechtswege onderdeel uit van het beroep gericht tegen de last onder dwangsom.
3.Artikel 6:7 van Pro de Awb.
4.Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
5.Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.
6.Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
7.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
8.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6169.
9.Uitspraak van de Afdeling van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5480
10.Dit volgt uit artikel 5:33 van Pro de Awb.
11.Artikel 5:35 van Pro de Awb.
12.Zie bijvoorbeeld ECLI:L:RVS:2025:887.
13.Uitspraak van de Afdeling van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5480.