Eiser ontving op 7 maart 2024 een last onder dwangsom van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn wegens het stallen van voertuigen en auto-onderdelen op gronden met de bestemming 'Natuur' zonder vergunning. Eiser diende zijn bezwaarschrift op 30 april 2024 in, twaalf dagen na de wettelijke termijn van zes weken. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens deze termijnoverschrijding, zonder dat sprake was van verschoonbare omstandigheden.
Eiser voerde persoonlijke omstandigheden aan, waaronder stress door een politiecontrole, familieproblemen en gezondheidsklachten, maar kon deze niet met bewijs onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden onvoldoende waren om de termijnoverschrijding te verontschuldigen. Het bezwaar werd daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de last onder dwangsom onherroepelijk werd.
Daarnaast nam het college een invorderingsbesluit voor de verbeurde dwangsommen over de eerste twee maanden, gebaseerd op een inspectieverslag waarin nog overtredingen werden geconstateerd. Eiser stelde dat de overtreding was beëindigd voordat het invorderingsbesluit werd genomen, maar de rechtbank vond dat het college terecht op het inspectieverslag mocht vertrouwen en dat de dwangsommen rechtsgeldig waren verbeurd.
Eiser voerde financiële problemen aan als bijzondere omstandigheid om invordering te voorkomen, maar leverde onvoldoende bewijs van zijn draagkracht. De rechtbank oordeelde dat het college niet verplicht is rekening te houden met financiële draagkracht bij invordering, tenzij duidelijk is dat betaling onmogelijk is. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.