202504266/1/A2.
Datum uitspraak: 3 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van Hogeschool Inholland (hierna: het CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 6 mei 2025 heeft de examencommissie LM/TM (hierna: de examencommissie) vastgesteld dat [appellante] plagiaat heeft gepleegd bij het toetsonderdeel Trends voor het vak Sustainable Urban Tourism. De examencommissie heeft het toetsresultaat ongeldig verklaard en [appellante] uitgesloten voor de eerstvolgende toetskans.
Bij beslissing van 12 juni 2025 heeft het CBE het daartegen door [appellante] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
[appellante] heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de Afdeling.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 september 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. B. Salamat, rechtsbijstandsverlener in Enschede, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. S. van Bekkum en [gemachtigde], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] volgt sinds september 2023 de opleiding Tourism Management aan de Hogeschool Inholland. Omdat zij in haar eerste studiejaar niet aan de studievoortgangsnorm voldeed, heeft [appellante] een uitgesteld studieadvies gekregen. Dit houdt in dat zij aan het eind van haar tweede studiejaar alle studiepunten uit het eerste jaar moest behalen om met de opleiding door te mogen gaan. Een van de eerstejaarsvakken die [appellante] nog met succes moest afronden is het vak Sustainable Urban Tourism. Dit vak bestaat uit meerdere onderdelen, waaronder het toetsonderdeel Trends. Bij dit toetsonderdeel moet de student een verslag schrijven (hierna: het verslag). In haar eerste studiejaar heeft [appellante] een onvoldoende gekregen voor dit verslag.
2. Op 22 april 2025 heeft de examencommissie [appellante] uitgenodigd voor een hoorgesprek nadat de examinator melding had gemaakt van een vermoeden van fraude. Uit de plagiaatscan bleek dat 42% van het verslag overeenkwam met ander werk. Dit percentage is later bijgesteld naar 31%. In de beslissing van 6 mei 2025 heeft de examencommissie geconcludeerd dat [appellante] plagiaat heeft gepleegd in het verslag. Omdat [appellante] in haar tweede jaar zit en al meerdere keren was gewaarschuwd voor plagiaat, heeft de examencommissie het resultaat voor het verslag ongeldig verklaard en [appellante] uitgesloten voor de herkansing. Het CBE heeft het tegen de beslissing van 6 mei 2025 ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Gronden van het beroep en de beoordeling daarvan
3. [appellante] betoogt allereerst dat niet buiten redelijke twijfel is vast komen te staan dat zij in het verslag plagiaat heeft gepleegd. Bij de onderdelen in het verslag die als plagiaat zijn aangemerkt heeft zij een bronvermelding geplaatst. Dat zij hierbij niet op de voorgeschreven wijze kenbaar heeft gemaakt dat het citaten betrof, valt niet onder de definitie van plagiaat uit artikel 140 van de Onderwijs en Examenregeling (hierna: de OER). Onder verwijzing naar de uitspraak van het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO) van 15 maart 2016 (CBHO 2015/236), stelt [appellante] dat vooraf kenbaar moet zijn wat als fraude, dan wel plagiaat, wordt aangemerkt.
3.1. Op grond van artikel 140 van de OER wordt onder fraude verstaan: "Fraude is het handelen van een student of het nalaten daarvan, waardoor een juist oordeel over de kennis, het inzicht, de vaardigheden of de (beroeps)houding geheel of gedeeltelijk onmogelijk wordt." In de OER is een niet-limitatieve opsomming gegeven van de situaties waarin sprake is van fraude. In sub e staat dat sprake is van plagiaat als de student: "teksten, redeneringen, gegevens of ideeën van anderen, tekstgeneratoren of hulpmiddelen al dan niet gebaseerd op AI-software, gebruikt of overneemt zonder de bron daarvan compleet en goed te vermelden (plagiaat)."
3.2. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het aan de examencommissie om bij het opleggen van een sanctie te bewijzen dat in een concreet geval een overtreding heeft plaatsgevonden. Er moet buiten redelijke twijfel vast komen te staan dat de student heeft gefraudeerd. In geval van twijfel moet de examencommissie aan de student het voordeel van de twijfel gunnen. De Afdeling merkt daarbij op dat niet iedere vorm van onjuiste bronvermelding kan worden aangemerkt als plagiaat en dus fraude (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2551). Voor de vraag of er sprake is van plagiaat, voor zover het gaat om het niet, dan wel onjuist of onvolledig, verwijzen naar bronnen, zijn de omvang en de ernst van de onjuiste bronvermelding van belang. 3.3. Uit de plagiaatscan blijkt dat [appellante] verschillende tekstblokken in het verslag (vrijwel) letterlijk heeft overgenomen uit andere bronnen. Achter deze tekstblokken heeft zij tussen haakjes de bron genoemd. Tussen partijen is niet in geschil dat dit niet de juiste wijze van verwijzen is wanneer een tekst wordt overgenomen uit een andere bron. Op de zitting heeft het CBE toegelicht dat studenten vanaf het eerste studiejaar leren om zich te houden aan de zogenoemde APA-richtlijnen als het gaat om bronvermelding. Die richtlijnen zijn een internationaal gangbare handleiding voor het schrijven van wetenschappelijke teksten. Naar het oordeel van de Afdeling brengen de omvang en ernst van de onjuiste bronverwijzing in dit geval met zich dat buiten redelijke twijfel vast is komen te staan dat [appellante] plagiaat heeft gepleegd als bedoeld in artikel 140, aanhef en onder e, van de OER. De Afdeling betrekt bij dit oordeel het gegeven dat [appellante] een tweedejaars student is bij wie al vier keer eerder plagiaat is geconstateerd voor soortgelijke vergrijpen. Van haar mag worden verwacht dat zij bekend is met de juiste wijze van verwijzen en dit in haar verslag correct toepast. Door in dit geval geen aanhalingstekens te plaatsen bij de gebruikte citaten, wekt [appellante] de indruk dat dit een door haarzelf geschreven tekst is die zij heeft gebaseerd op de informatie uit de voornoemde bron. Omdat dit niet het geval is, kan de examinator geen juist oordeel gegeven over de kennis, het inzicht en de vaardigheden van [appellante].
3.4. De Afdeling volgt [appellante] niet in haar betoog dat het voor haar niet duidelijk was wat als plagiaat moet worden aangemerkt. Allereerst blijkt uit de tekst van artikel 140, aanhef en onder e, van de OER dat het niet correct vermelden van de bron aangemerkt wordt als plagiaat. Daarnaast blijkt uit een e-mail van [appellante] van 15 april 2025 dat zij, na het inleveren van het verslag in het eerste studiejaar, door de examinator al is gewezen op haar onjuiste bronvermelding in dit deel van het verslag. In dezelfde e-mail schrijft [appellante] dat zij zich, na eerdere plagiaatconstateringen, adequaat heeft verdiept in de juiste wijze van bronvermelding zoals voorgeschreven in de APA-richtlijnen. Gelet hierop had [appellante] kunnen en moeten weten dat dit deel van haar verslag in strijd was met de APA-richtlijnen voor bronvermelding en dat daarmee sprake is van plagiaat als bedoeld in artikel 140, aanhef en onder e, van de OER.
3.5. Het betoog slaagt niet.
4. [appellante] stelt zich verder op het standpunt dat de beslissing van 6 mei 2025 in strijd is met het motiveringsbeginsel en evenredigheidsbeginsel. Uit de beslissing van de examencommissie wordt volgens [appellante] onvoldoende duidelijk waarop de plagiaatverdenking betrekking heeft. Daarnaast moeten volgens [appellante] alle feiten en omstandigheden worden meegewogen bij de vraag of het opleggen van de sanctie evenredig en proportioneel is, gelet op het bestraffende karakter van de uitsluiting. Omdat [appellante] is uitgesloten van de herkansing heeft zij dit eerstejaarsvak niet met een goed resultaat weten af te ronden. Hiermee voldoet zij niet aan de eisen voor het uitgesteld bindend studieadvies en inmiddels heeft zij daarom een negatief studieadvies ontvangen. Hierdoor kan zij niet beginnen aan het derde jaar van de opleiding.
4.1. Op grond van artikel 7.12b, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) kan de examencommissie de student het recht ontnemen om één of meer tentamens af te leggen. Deze bevoegdheid is ook neergelegd in artikel 143 van de OER, waarin staat dat de examencommissie meerdere maatregelen kan nemen, waaronder uitsluiting van de eerstvolgende toetskans en het tot maximaal één jaar uitsluiten van alle tentamens. In haar uitspraak van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1831 (overweging 9-9.1) heeft de Afdeling geoordeeld dat zij sancties die worden opgelegd op grond van artikel 7.12b, tweede lid, van de WHW niet langer als bestraffend aan merkt, maar als herstelsancties. Het voorgaande neemt niet weg dat de beslissing moet voldoen aan de eisen die de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaraan stellen. 4.2. De Afdeling volgt [appellante] niet in haar betoog dat het motiveringsbeginsel is geschonden. Uit de e-mail van [appellante] van 15 april 2025, de uitnodiging voor het hoorgesprek van 17 april 2025, de met deze uitnodiging overgelegde plagiaatscan en het hoorgesprek zelf, blijkt dat het voor [appellante] voldoende duidelijk was waar het vermoeden van plagiaat op zag.
4.3. De Afdeling ziet in wat [appellante] heeft aangevoerd ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de beslissing van de examencommissie van 6 mei 2025 onevenredig is. De Afdeling merkt allereerst op dat de procedure over het bindend negatief studieadvies los staat van deze procedure. Het enkele gegeven dat een gevolg van de sanctie is dat een student niet voldoet aan de eisen van het uitgesteld studieadvies, betekent nog niet dat de opgelegde maatregel daarom onevenredig is. Bovendien is op de zitting gebleken dat [appellante] opnieuw een uitgesteld studieadvies heeft gekregen.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft het CBE terecht opgemerkt dat de examencommissie het gegeven dat bij [appellante] al vier keer eerder plagiaat was geconstateerd zwaar mocht laten meewegen. Het CBE heeft op de zitting toegelicht dat het binnen de mogelijkheden van de examencommissie lag om een strengere maatregel op te leggen dan alleen de ongeldigverklaring en de uitsluiting. Gelet op het feitencomplex behoorde ook het voordragen voor uitschrijving tot de mogelijkheden. Hiervoor was [appellante] ook gewaarschuwd in een eerdere beslissing van de examencommissie van 3 juli 2024. De examencommissie heeft in de omstandigheden van [appellante] aanleiding gezien om de standaard sanctie toe te passen voor tweedejaarsstudenten die zich schuldig hebben gemaakt aan plagiaat. Dit komt de Afdeling niet onevenredig voor.
4.4. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen
voorzitter
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025