ECLI:NL:RVS:2025:1831
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Sanctie wegens fraude in hoger onderwijs niet bestraffend maar herstellend van aard
De examencommissie van Fontys Paramedisch verklaarde examens van appellant ongeldig wegens fraude en legde een uitsluiting op voor het maken van examens tot maximaal één jaar. Appellant stelde beroep in tegen deze sancties en voerde aan dat deze bestraffend van aard zijn en dat procedurele waarborgen niet zijn nageleefd.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat sancties op grond van artikel 7.12b, tweede lid, van de WHW niet langer als bestraffend worden aangemerkt, maar als herstelsancties met een pedagogisch en disciplinair karakter. Dit oordeel volgt uit een uitgebreide toetsing aan het EVRM en de Awb, waarbij onder meer het doel, de aard en de zwaarte van de sancties zijn meegewogen.
De Afdeling stelde vast dat de examencommissie zorgvuldig heeft gehandeld, appellant voldoende gelegenheid heeft gegeven om te reageren en dat de sancties niet onevenredig zijn gezien de ernst van de fraude. Wel werd geoordeeld dat het CBE ten onrechte geen proceskostenvergoeding had toegekend, hetgeen nu wordt gecorrigeerd.
De uitspraak bevestigt dat sancties in het hoger onderwijs vanwege fraude niet als strafrechtelijke sancties gelden, waardoor de zwaardere procedurele waarborgen van het strafrecht niet van toepassing zijn, maar dat wel aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur moet worden voldaan.
Uitkomst: De sancties wegens fraude zijn herstelsancties en geen bestraffende sancties; proceskostenvergoeding wordt toegekend.