ECLI:NL:RVS:2025:5465
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering paspoortaanvraag wegens verlies Nederlanderschap minderjarige
De zaak betreft een hoger beroep tegen de weigering van de minister van Buitenlandse Zaken om een aanvraag voor een Nederlands paspoort voor een minderjarige in behandeling te nemen. De minister baseerde zijn weigering op het standpunt dat de minderjarige het Nederlanderschap op 20 april 2019 van rechtswege heeft verloren, omdat zijn moeder op die datum eveneens het Nederlanderschap verloor na tien jaar onafgebroken verblijf buiten Nederland.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de minister terecht handelde en dat de wetswijziging van 1 april 2022, die de termijn voor verlies van het Nederlanderschap verlengde van tien naar dertien jaar, niet met terugwerkende kracht geldt. Tevens werd bevestigd dat de minister geen Unierechtelijke evenredigheidstoets kan uitvoeren binnen de paspoortprocedure sinds die datum, en dat een optieverklaring vereist is voor herkrijging van het Nederlanderschap.
In hoger beroep betoogden appellanten dat de termijn van dertien jaar had moeten gelden en dat de coronacrisis de termijn had gestuit. Dit werd verworpen omdat op het moment van verlies de oude termijn van tien jaar gold. Ook het betoog dat de minister de onevenredige gevolgen voor de minderjarige had moeten meewegen in de paspoortprocedure werd verworpen. De Afdeling bevestigde dat de beoordeling van de onevenredigheid in een aparte optieverklaringsprocedure moet plaatsvinden.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarbij de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de paspoortaanvraag bevestigd.