AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Proceskostenvergoeding na intrekking hoger beroep in asielzaak wegens niet-tijdig besluit minister
Verzoeker had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake een asielaanvraag. Tijdens de procedure heeft de minister van Asiel en Migratie het besluit genomen om de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan verzoeker toe te kennen, waarmee het belang van het hoger beroep verviel.
Verzoeker heeft daarop het hoger beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten die in verband met het hoger beroep zijn gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat de minister de beslistermijn van vijftien maanden had overschreden, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van die termijn.
De Afdeling heeft het verzoek tot proceskostenvergoeding toegewezen en de minister veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 453,50, dat geheel toe te rekenen is aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De Afdeling paste een wegingsfactor toe omdat het hoger beroep uitsluitend ging over het niet tijdig nemen van een besluit door de minister.
Uitkomst: Minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 453,50 na intrekking van het hoger beroep wegens niet tijdig besluit.
Uitspraak
202406937/1/V1.
Datum uitspraak: 6 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[de verzoeker],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)).
Procesverloop
Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. F. Zeven, advocaat in Amsterdam, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 oktober 2024 in zaak nr. NL24.30881.
De minister van Asiel en Migratie heeft een nader stuk ingediend.
Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1. Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75a van de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan hem is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door toedoen van de minister is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).
2. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, en 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie om te kunnen bepalen of de minister de beslistermijn, met WBV 2022/22 en WBV 2023/3, heeft mogen verlengen. Het Hof heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in haar uitspraak van 8 november 2023, die gaan over WBV 2022/22. De Afdeling moet hierover nog einduitspraak doen. Het Hof heeft nog geen antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in de verwijzingsuitspraak van 10 juli 2024. Nadat de Afdeling einduitspraak doet in de verwijzingszaak die gaat over WBV 2022/22 zal zij bezien of verdere aanhouding van zaken die vallen onder WBV 2023/3 nodig is, vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2219, onder 1 en 2.
3. Het voorgaande heeft geen invloed op de vraag of verzoeker zijn proceskosten vergoed moet krijgen. In dit geval heeft de minister bij besluit van 1 oktober 2025 de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd. Verzoeker heeft die aanvraag op 14 september 2023 ingediend. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
4. De Afdeling wijst het verzoek toe. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
5. De minister is in het besluit van 1 oktober 2025 geheel aan de aanvraag van verzoeker tegemoetgekomen. Verzoeker heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet laten weten het niet eens te zijn met dit besluit. Gelet hierop is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang met artikel 6:24 vanPro de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.