Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:5051

Raad van State

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
22 oktober 2025
Zaaknummer
202406673/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:3 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wijziging geboortedatum vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wijzigde op 7 november 2023 de geboortedatum van betrokkene en gaf hiervan kennis aan de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel. Betrokkene maakte bezwaar tegen deze kennisgeving, maar dit bezwaar werd op 9 januari 2024 niet-ontvankelijk verklaard door de staatssecretaris. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van betrokkene tegen deze niet-ontvankelijkverklaring gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de minister een nieuw besluit te nemen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de kennisgeving van gewijzigde identiteitsgegevens weliswaar een besluit is in de zin van de Awb, maar een voorbereidend besluit betreft dat niet appellabel is tenzij het een vreemdeling rechtstreeks in zijn belang raakt. Dit laatste was niet het geval, zodat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het besluit appellabel was.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Hiermee is bevestigd dat de kennisgeving niet appellabel is en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.

Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

202406673/1/V1.
Datum uitspraak: 22 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 18 oktober 2024 in zaak nr. NL24.4251 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij ‘kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens’ (hierna: de kennisgeving) van 7 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel laten weten de geboortedatum van betrokkene te hebben gewijzigd.
Bij besluit van 9 januari 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 18 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. L.S.Th.H. Ruijters, advocaat in Eindhoven, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       In haar enige grief klaagt de minister over het oordeel van de rechtbank dat de kennisgeving een appellabel besluit is.
2.       In de uitspraak van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5256, onder 4 tot en met 6, heeft de Afdeling geoordeeld dat de kennisgeving een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, maar het ter voorbereiding dient van het besluit op de asielaanvraag. Op grond van artikel 6:3 van Pro de Awb is zo een besluit niet appellabel, tenzij het een vreemdeling rechtstreeks in zijn belang raakt. Daar is hier geen sprake van. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat de kennisgeving appellabel is. De minister heeft het bezwaar tegen de kennisgeving terecht niet-ontvankelijk verklaard. De grief slaagt.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 18 oktober 2024 in zaak nr. NL24.4251;
III.      verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.
w.g. Stoové
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Zwemstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2025
91-1046