ECLI:NL:RVS:2025:4550
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar postadres en toekenning schadevergoeding redelijke termijn
Appellante heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een aanvraag om bijstandsverlening gedaan, die aanvankelijk buiten behandeling werd gesteld. Na een schikking in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep verleende het college bijstand en toestemming voor het gebruik van een postadres. Appellante maakte bezwaar tegen het besluit en de brief over het postadres, maar het college verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk. De rechtbank bevestigde dit oordeel voor zover het de brief betrof.
In hoger beroep betoogde appellante dat de brief wel rechtsgevolg had omdat zij door een inschrijvingsgat tijdelijk geen postadres kon gebruiken, wat leidde tot uitschrijving uit de basisregistratie en boetes. De Afdeling overwoog dat de brief van 25 juni 2021 geen zelfstandig besluit was en niet op rechtsgevolg gericht was. Het inschrijvingsgat was het gevolg van eerdere omstandigheden, niet van de brief zelf.
Verder oordeelde de Afdeling dat de redelijke termijn voor de gehele procedure van bezwaar en beroep met twee maanden was overschreden, waardoor appellante recht heeft op een schadevergoeding van € 500. De Staat der Nederlanden werd ook veroordeeld tot vergoeding van proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding toe.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en een schadevergoeding van € 500 wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.