ECLI:NL:RVS:2025:4144

Raad van State

Datum uitspraak
28 augustus 2025
Publicatiedatum
28 augustus 2025
Zaaknummer
202504063/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 3 EVRMArt. 4 EU-HandvestArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van afwijzing verblijfsvergunning asiel na Dublinprocedure

Appellant heeft bij besluit van 2 augustus 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke niet in behandeling is genomen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond op 10 juli 2025. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

In het hoger beroep klaagt appellant onder meer dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroepsgrond over het standaardvoornemen in de Dublinprocedure en dat asielzoekers in Kroatië beperkte toegang tot de reguliere gezondheidszorg hebben, waardoor hij risico loopt op schending van artikel 4 van Pro het EU-Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat deze klachten terecht zijn voorgedragen, maar dat zij geen aanleiding geven tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.

De Afdeling verwijst naar eerdere uitspraken waarin is toegelicht dat de besluitvorming niet zonder meer onzorgvuldig is wanneer niet op alle individuele omstandigheden wordt ingegaan en dat er basale medische zorg beschikbaar is in Kroatië, ook bij overbezetting. Andere grieven van appellant leiden eveneens niet tot vernietiging. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning asiel en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

202504063/1/V3.
Datum uitspraak: 28 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 10 juli 2025 in zaak nr. NL24.30666 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 2 augustus 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 10 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Terpstra, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Appellant klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroepsgrond over het zogenoemde standaardvoornemen. Hoewel de klacht terecht is voorgedragen, leidt de grief niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642, onder 4.3 tot en met 4.8, uitgelegd waarom de besluitvorming niet zonder meer onzorgvuldig is als de minister in het voornemen in de Dublinprocedure niet expliciet ingaat op alle individuele omstandigheden van een vreemdeling. De grief biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.       In zijn derde grief klaagt appellant terecht dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroepsgrond dat asielzoekers in Kroatië beperkte toegang hebben tot de reguliere gezondheidszorg en dat hij daarom bij overdracht een reëel risico loopt op schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM. Ook deze grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037, onder 5.9 tot en met 5.11, volgt dat er ook op momenten van overbezetting in de opvangcentra basale medische zorg is in Kroatië. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht de noodzakelijk medische zorg niet krijgt.
3.       Wat appellant verder in zijn grieven aanvoert, leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grieven in zoverre geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2025
872