Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:3201

Raad van State

Datum uitspraak
16 juli 2025
Publicatiedatum
16 juli 2025
Zaaknummer
202500126/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vw 2000Art. 9 lid 1 OpvangrichtlijnArt. 91 lid 2 Vw 2000Art. 106 lid 1 Vw 2000Art. 8:54 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over onrechtmatige grensdetentie en toekenning schadevergoeding

Appellant was onderworpen aan een vrijheidsontnemende maatregel door de minister van Asiel en Migratie, opgelegd op 21 november 2024. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze maatregel ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat de grensdetentie van appellant onrechtmatig was vanaf 30 december 2024, omdat deze langer duurde dan de wettelijk toegestane termijn van dertien weken, zoals bepaald in artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de detentie niet te lang was, terwijl de minister de detentie had moeten beëindigen voor de zitting in de asielprocedure.

De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en kende appellant een schadevergoeding toe van €7.300 over de periode van 30 december 2024 tot en met 12 maart 2025. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant, zijnde €2.721, gerelateerd aan beroepsmatige rechtsbijstand. Omdat de grensdetentie inmiddels was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en kent appellant een schadevergoeding toe wegens onrechtmatige grensdetentie.

Uitspraak

202500126/1/V3.
Datum uitspraak: 16 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 30 december 2024 in zaak nr. NL24.49251 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 november 2024 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 30 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. C.F. Wassenaar, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de grensdetentie niet te lang zou voortduren. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925, onder 8, geoordeeld dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 niet langer mag voortduren dan dertien weken, gelet op artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. De rechtbank heeft in deze grensdetentiezaak overwogen dat zij het beroep in de asielprocedure van appellant op 25 februari 2025 op een zitting zal behandelen, dertien weken en zes dagen nadat appellant in grensdetentie is geplaatst. De rechtbank had daarom in haar uitspraak tot de conclusie moeten komen dat de grensdetentie van appellant niet meer evenredig was, omdat deze geen enkel doel meer diende, aangezien de minister de grensdetentie hoe dan ook had moeten opheffen voor de zitting in de asielzaak. De grensdetentie was onrechtmatig vanaf 30 december 2024, de dag waarop de rechtbank uitspraak deed. De Afdeling verwijst naar haar genoemde uitspraak van 1 juli 2025, onder 3.9 en 3.10.
1.1.    De grief slaagt.
2.       Wat appellant in grief 2 aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.1.    Deze grief gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, onder 4 tot en met 4.4.2, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789, onder 3 tot en met 3.7.2, over de detentieomstandigheden in het Justitieel Complex Schiphol). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Er zijn geen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de grensdetentie vanaf een eerdere datum dan 30 december 2024 onrechtmatig te achten. Het beroep is gegrond. Omdat de grensdetentie al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan appellant toegekend. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 30 december 2024 in zaak nr. NL24.49251;
III.      kent aan appellant een vergoeding toe van € 7.300,00 over de periode van 30 december 2024 tot en met 12 maart 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
IV.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Jiawan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2025
1020