ECLI:NL:RVS:2025:3814
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over onrechtmatige grensdetentie en toekenning schadevergoeding
Appellant verbleef sinds zes weken en een dag in grensdetentie na een besluit van de minister van Asiel en Migratie van 25 mei 2025. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat de grensdetentie op grond van artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet langer dan dertien weken mag duren. Aangezien de asielprocedure pas na dertien weken en zes dagen zou worden behandeld, was de grensdetentie onredelijk lang en onrechtmatig vanaf 7 juli 2025, de datum van het vonnis van de rechtbank.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond, en bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 13 augustus 2025 wordt opgeheven. Daarnaast werd appellant een schadevergoeding van €3.800 toegekend over de periode van 7 juli tot en met 13 augustus 2025, en werden de proceskosten van €2.721 vergoed aan appellant.
De overige grieven van appellant werden niet gegrond verklaard omdat deze geen belang hadden voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Afdeling zag geen reden om de grensdetentie voor 7 juli 2025 onrechtmatig te achten.
Uitkomst: De grensdetentie is onrechtmatig vanaf 7 juli 2025, de maatregel wordt opgeheven en appellant ontvangt een schadevergoeding.