ECLI:NL:RVS:2025:3178
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugkeerbesluit wegens voortduren tijdelijke bescherming Oekraïense betrokkene
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid besloot op 31 augustus 2023 het recht op tijdelijke bescherming van betrokkene, een derdelander uit Oekraïne, te beëindigen per 4 september 2023 en beval vertrek uit de EU binnen vier weken. Dit besluit werd op 13 februari 2024 ingetrokken. Vervolgens stelde de staatssecretaris bij besluit van 7 februari 2024 vast dat betrokkene vanaf 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verbleef en beval opnieuw vertrek binnen vier weken.
Betrokkene stelde beroep in tegen beide besluiten. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk, maar verklaarde het beroep tegen het tweede besluit gegrond en vernietigde dat besluit. De minister ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de minister bevoegd was om de tijdelijke bescherming te beëindigen, maar dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ten onrechte was genomen omdat betrokkene op dat moment nog tijdelijke bescherming genoot en dus rechtmatig verbleef. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn was het terugkeerbesluit daarom niet toegestaan. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en het terugkeerbesluit vernietigd. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 wordt vernietigd omdat betrokkene nog tijdelijke bescherming genoot en rechtmatig verbleef.