ECLI:NL:RVS:2025:2595
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-in-behandeling-neming asielaanvraag op grond van Dublinverordening
De minister van Asiel en Migratie nam de asielaanvraag van betrokkene, een Syrische nationaliteit dragende vreemdeling, niet in behandeling omdat Polen volgens de Dublinverordening verantwoordelijk was voor de behandeling. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, waarbij de minister werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State overwoog dat de overdrachtstermijn inmiddels was verstreken, waardoor de minister de asielaanvraag alsnog in behandeling moest nemen, ongeacht de uitkomst van het hoger beroep. Desondanks had de minister belang bij een inhoudelijke beoordeling vanwege mogelijke precedentwerking.
De Raad van State oordeelde dat de minister niet verplicht was om in het standaardvoornemen in de Dublinprocedure expliciet in te gaan op individuele omstandigheden van betrokkene, waarmee de eerste grief slaagde. Tevens was de motivering van de minister omtrent het niet onverplicht aan zich trekken van de aanvraag op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro deugdelijk, mede gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en eerdere rechtspraak.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank, maar verklaarde het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister wordt bevestigd.