ECLI:NL:RVS:2025:2322
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- A. Kuijer
- A.B. Blomberg
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging bestuurlijke boete wegens overtreding Wet kinderopvang
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht legde [appellante], houder van kinderopvangverblijven, een bestuurlijke boete van € 12.500,00 op wegens overtreding van de Wet kinderopvang (Wko). Tevens werden vier lasten onder dwangsom opgelegd en dwangsommen van € 9.000,00 geïnd na constatering van herhaalde overtredingen.
De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep van [appellante] gegrond en matigde de boete met 10% tot € 11.250,00. Het college en [appellante] gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht de boete en dwangsommen handhaafde, maar dat boetes opgelegd voor overtredingen op niet vastgestelde tijden moesten vervallen op grond van het lex mitior-beginsel.
Daarnaast stelde de Afdeling vast dat de procedure de redelijke termijn van vijf jaar en drie maanden had overschreden, waardoor de boete verder met 15% werd gematigd. De Afdeling vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de boete vaststelde op € 11.250,00 en stelde zelf de boete vast op € 4.250,00. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt vastgesteld op € 4.250,00 en de uitspraak van de rechtbank wordt deels vernietigd.