ECLI:NL:RVS:2025:2223
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- A. Kuijer
- A.B. Blomberg
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging bestuurlijke boete wegens overtreding Wet kinderopvang
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht legde aan appellante een bestuurlijke boete van €25.000 op wegens overtreding van de Wet kinderopvang, specifiek het niet voldoen aan de beroepskracht-kindratio (BKR). Na bezwaar matigde het college de boete tot €10.000. De rechtbank vernietigde dit besluit deels en stelde de boete vast op €9.000. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld over de boete voor de overtreding van 12 juli 2019, maar dat de boetes voor de overtredingen van 28 juni 2019 en 12 juli 2019 op een andere groep niet in stand kunnen blijven vanwege het lex mitior-beginsel en gewijzigde regelgeving per 1 juli 2023. Tevens is de redelijke termijn overschreden, wat leidt tot een matiging van de boete met 15%.
De Raad van State vernietigt het deel van de uitspraak van de rechtbank waarin de boete op €9.000 is vastgesteld en stelt zelf de boete vast op €4.250. Daarnaast wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het hoger beroep van appellante wordt gegrond verklaard.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt vastgesteld op €4.250 met vergoeding van proceskosten aan appellante.