ECLI:NL:RVS:2016:695
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom wegens overtreding Wet kinderopvang
Het geschil betreft de invordering van een dwangsom opgelegd aan een exploitant van een kindercentrum in Haarlem wegens overtredingen van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko). Het college legde op 29 mei 2013 een last onder dwangsom op vanwege het ontbreken van een actuele Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) en andere tekortkomingen. Na een inspectie op 27 februari 2014 constateerde de GGD dat de exploitant niet beschikte over een VOG die niet ouder was dan twee jaar, zoals vereist.
Het college verklaarde daarop een dwangsom van €20.000 verbeurd en vorderde een bedrag van €4.000, gevolgd door het resterende bedrag van €16.000 toen niet aan de last werd voldaan. De rechtbank verklaarde het beroep van de exploitant tegen deze invordering ongegrond. De exploitant stelde dat zij wel in het bezit was van een VOG en dat sprake was van bijzondere omstandigheden zoals overmacht en onderhandelingen over overname.
De Raad van State oordeelde dat het college terecht had vastgesteld dat de exploitant niet aan de last had voldaan omdat de vereiste VOG niet was overgelegd. De aangevoerde bijzondere omstandigheden konden niet leiden tot afzien van invordering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de invordering van de dwangsom van €20.000 wegens het niet overleggen van een actuele VOG.