ECLI:NL:RVS:2025:230
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- M. den Heyer
- M.C. Stoové
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel Nigeriaanse vreemdeling
De vreemdeling, met de Nigeriaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag op 25 mei 2023 af, omdat volgens hem niet aannemelijk was dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico liep op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en gaf de minister opdracht een nieuw besluit te nemen waarbij de vreemdeling ten minste aan de vereisten van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, tenzij uitsluitingsgronden van toepassing zijn.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, waarbij hij erkende dat een nieuw besluit moet worden genomen, maar betoogde dat de rechtbank hem een te ver strekkende opdracht had gegeven door te stellen dat hij moet uitgaan van het voldoen aan de vereisten van artikel 29 lid 1 sub Pro b. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de minister het asielrelaas opnieuw moet beoordelen op basis van geloofwaardige verklaringen, met de mogelijkheid de vreemdeling opnieuw te horen, en bevestigde dat het hoger beroep gegrond is.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De Afdeling bevestigt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de uitspraken van de rechtbank en de Afdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en de minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraken.