ECLI:NL:RVS:2025:2170
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing invordering dwangsom wegens vermeende drugshandel op straat in Nissewaard
De burgemeester van Nissewaard legde een last onder dwangsom op aan [wederpartij] wegens overtreding van artikel 2:74 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), gericht op het tegengaan van drugshandel op straat. Deze last hield in dat [wederpartij] zich niet op een openbare plaats met het kennelijke doel tot drugshandel mocht ophouden. Na een bestuurlijke rapportage waarin werd gesteld dat [wederpartij] op 11 februari 2021 opnieuw drugs op straat zou hebben verhandeld, werd een dwangsom van € 5.000,- ingevorderd. De rechtbank oordeelde echter dat onvoldoende concrete aanwijzingen waren voor het kennelijke doel tot drugshandel op straat en vernietigde het besluit tot invordering.
De burgemeester ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Raad van State overwoog dat artikel 2:74 APV Pro specifiek ziet op het tegengaan van overlast door drugshandel op openbare plaatsen. Hoewel er handelshoeveelheden drugs en contant geld werden aangetroffen in de auto van [wederpartij], ontbraken concrete feiten zoals het aanspreken van voorbijgangers of waarnemingen van transacties die het kennelijke doel tot straathandel aannemelijk maken. Ook was er geen bewijs van drugshandel op straat, noch getuigenverklaringen of andere objectieve indicatoren.
De bestuurlijke rapportage van de politie, waarop de burgemeester zich baseerde, was onvoldoende zorgvuldig en onderbouwd om het oordeel van overtreding te dragen. De Raad van State bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank dat de burgemeester ten onrechte de dwangsom invorderde. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [wederpartij].
Uitkomst: Het hoger beroep van de burgemeester wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.