ECLI:NL:RVS:2025:1575
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen intrekking Nederlanderschap wegens terroristisch misdrijf en proceskostenvergoeding
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft het Nederlanderschap van appellant willen intrekken wegens een onherroepelijke veroordeling voor een terroristisch misdrijf, op grond van artikel 14 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap. Appellant verzocht om aanhouding van de besluitvorming omdat hij een procedure in Turkije had lopen om afstand te doen van zijn Turkse nationaliteit, om staatloosheid te voorkomen.
De staatssecretaris weigerde het verzoek tot aanhouding en verklaarde het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk, omdat de brief van 6 april 2023 geen besluit zou zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenvergoeding af.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de brief van 6 april 2023 geen besluit is en dus ook geen procesbeslissing in de zin van de Awb, waardoor appellant geen bezwaar kon maken. Wel oordeelt de Afdeling dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor het beroep, omdat de staatssecretaris niet is veroordeeld in de kosten van bezwaar. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het de proceskostenvergoeding betreft en bevestigd voor het overige. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van beroep en hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten voor beroep en hoger beroep.