ECLI:NL:RVS:2025:1143
Raad van State
- Hoger beroep
- J.M. Willems
- C.C.W. Lange
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing paspoortaanvraag wegens verlies Nederlanderschap volgens oude Rijkswet niet in strijd met Unierecht
Appellante, geboren in 1957 in het Verenigd Koninkrijk met dubbele Nederlandse en Britse nationaliteit, diende in 2020 een aanvraag in voor een Nederlands paspoort. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvraag af omdat appellante volgens artikel 15, aanhef en onder c, van de oude Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) in 1995 het Nederlanderschap van rechtswege had verloren door langdurig verblijf buiten Nederland in het geboorteland.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, maar de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat appellante wel procesbelang heeft omdat zij met het beroep het doel kan bereiken dat haar aanvraag alsnog wordt behandeld. De Afdeling vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en behandelt inhoudelijk de beroepsgronden.
De Afdeling bevestigt dat artikel 15 RWN Pro (oud) niet in strijd is met het Unierecht, mede omdat appellante haar Britse nationaliteit behield en daardoor haar Unieburgerschap niet verloor. Hierdoor was zij niet beperkt in haar reis- en verblijfsrechten binnen de EU. Ook het beroep op het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel wordt verworpen omdat er destijds geen nadelige gevolgen waren vanuit het Unierecht.
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten en het griffiegeld aan appellante. Hiermee blijft de weigering van de paspoortaanvraag in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de paspoortaanvraag blijft afgewezen wegens verlies van het Nederlanderschap volgens artikel 15 RWN (oud).