ECLI:NL:RVS:2025:1100
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Opheffing voorlopige voorziening vrijheidsontnemende maatregel in vreemdelingenrecht
Bij besluit van 22 november 2024 legde de minister van Asiel en Migratie een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling. De rechtbank verklaarde dit besluit op 11 december 2024 gegrond, hechtte opheffing van de maatregel toe en kende schadevergoeding toe. De minister stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening, waarbij de vrijheidsontnemende maatregel niet hoefde te worden opgeheven totdat het hoger beroep was beslist.
De vreemdeling verzocht op 12 maart 2025 om opheffing van deze voorlopige voorziening, stellende dat de grensdetentie inmiddels te lang duurde en in strijd was met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. De voorzieningenrechter oordeelde dat onder de gewijzigde omstandigheden het grensbewakingsbelang van de minister niet langer zwaarder woog.
Daarom werd het verzoek van de vreemdeling toegewezen, de voorlopige voorziening van 12 december 2024 opgeheven en de minister veroordeeld tot het opheffen van de vrijheidsontnemende maatregel. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €907,00 aan de vreemdeling.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt opgeheven en de minister moet de vrijheidsontnemende maatregel opheffen.