ECLI:NL:RVS:2024:939
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering omgevingsvergunning woning splitsen in Den Haag
In deze zaak heeft appellant zijn woning in 2013 bouwkundig gesplitst in twee woningen zonder omgevingsvergunning. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag weigerde in 2021 een omgevingsvergunning voor het splitsen van de woning te verlenen, omdat het bouwplan in strijd zou zijn met het bestemmingsplan "Regentesse-/Valkenboskwartier (Integrale herziening)" en het bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren". Het college stelde dat een parkeerplaats moest worden geregeld, wat appellant niet deed. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat het college ten onrechte de aanvraag in strijd achtte met de bestemmingsplannen, omdat de woning feitelijk al in twee woningen was gesplitst voordat de bestemmingsplannen in werking traden. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het begrip "bestaande woning" in het bestemmingsplan letterlijk moet worden uitgelegd en dat appellant reeds twee bestaande woningen had. Daarom kon het splitsingsverbod niet tegen hem worden toegepast.
Ook oordeelt de Afdeling dat het college ten onrechte de eis stelde dat appellant een parkeerplaats moest regelen, omdat de ligging, omvang of bestemming van de woningen niet veranderde door de aanvraag. Het besluit van 10 augustus 2022 waarbij alsnog een omgevingsvergunning werd verleend, wordt vernietigd voor zover het betrekking heeft op het gebruik van grond of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Het besluit blijft in stand voor de activiteit bouwen. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het college moet het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning herroepen.