ECLI:NL:RVS:2024:830
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving last onder dwangsom wegens overtreding bestemmingsplan bijbehorende bouwwerken
In deze zaak heeft het college appellant gelast om het gebruik van het perceel met bijbehorende bouwwerken terug te brengen tot 150 m2, omdat de totale oppervlakte van de bouwwerken 224,81 m2 bedroeg en daarmee in strijd was met het bestemmingsplan en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij op basis van een brief uit 2013 mocht vertrouwen op een positieve grondhouding van het college voor een oppervlakte van maximaal 180 m2 en dat er concreet zicht op legalisatie zou zijn. De Afdeling oordeelde dat het college nooit toezeggingen heeft gedaan om niet handhavend op te treden tegen de overtreding en dat voor concreet zicht op legalisatie een vergunningaanvraag vereist is, die ten tijde van het besluit op bezwaar nog niet was ingediend.
Verder stelde appellant dat handhaving onevenredig zou zijn vanwege de omvang van de eerdere bebouwing en de volgorde van bouwen en slopen. De Afdeling stelde dat de gewijzigde wettelijke kaders en het geldende bestemmingsplan handhaving rechtvaardigen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die handhavend optreden in de weg staan.
De Afdeling bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.