ECLI:NL:RVS:2024:4160
Raad van State
- Hoger beroep
- R. Uylenburg
- B.P. Vermeulen
- M.M. Kaajan
- Rechtspraak.nl
Intrekking toevoeging rechtsbijstand na echtscheiding met financieel resultaat boven drempelbedrag
In deze bestuursrechtelijke procedure staat de intrekking van een toevoeging voor rechtsbijstand centraal, die aan appellante was verleend voor haar echtscheidingsprocedure. De raad voor rechtsbijstand trok de toevoeging in omdat het financiële resultaat van de echtscheiding boven het wettelijk drempelbedrag lag, waardoor appellante volgens de wet niet meer in aanmerking kwam voor gesubsidieerde rechtsbijstand.
Appellante betwistte de intrekking en stelde dat zwaarwegende omstandigheden, zoals haar verslechterde financiële situatie en het gebruik van het resultaat voor de aankoop van een woning, een intrekking zouden moeten voorkomen. Tevens voerde zij aan dat de raad het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het besluit niet op de juiste wijze was bekendgemaakt aan de gemachtigde, waardoor de bezwaartermijn niet was gestart en het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard. De Afdeling vernietigde dit besluit en verklaarde het bezwaar gegrond, maar stelde vast dat de intrekking van de toevoeging terecht was omdat het financiële resultaat boven het drempelbedrag lag en appellante geen zwaarwegende omstandigheden aannemelijk had gemaakt.
De vordering tot terugbetaling van de vergoeding door appellante werd eveneens bevestigd, waarbij een redelijke betalingsregeling werd geboden. De uitspraak van de rechtbank werd voor het overige bevestigd en het griffierecht werd aan appellante vergoed.
Uitkomst: De intrekking van de toevoeging wordt bevestigd en appellante moet de vergoeding van €790,96 betalen, ondanks dat het bezwaar tegen niet-ontvankelijkheid ten onrechte was verklaard.