ECLI:NL:RVS:2024:3718

Raad van State

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
17 september 2024
Zaaknummer
202303942/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 56 Vw 2000Art. 84 Vw 2000Art. 91 Vw 2000
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over overplaatsing vreemdeling naar Handhavings- en Toezichtlocatie

Bij besluit van 24 april 2023 heeft het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) de vreemdeling overgeplaatst naar de Handhavings- en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen. Tevens heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd aan de vreemdeling. De vreemdeling heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, die op 25 mei 2023 de beroepen ongegrond verklaarde.

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat zij onbevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op de vrijheidsbeperkende maatregel, omdat hoger beroep daarop niet is toegestaan volgens de Vreemdelingenwet 2000. Voor zover het hoger beroep gericht is tegen het besluit tot overplaatsing naar de HTL, bevestigt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank.

De Afdeling verwijst naar een eerdere uitspraak waarin is bepaald dat overplaatsing naar de HTL geen vrijheidsontneming inhoudt. Het hoger beroep biedt geen nieuwe gronden om hiervan af te wijken. Proceskosten worden niet toegewezen. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer en uitgesproken in het openbaar op 17 september 2024.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart zich onbevoegd voor het hoger beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel.

Uitspraak

202303942/1/V1.
Datum uitspraak: 17 september 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling]
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 25 mei 2023 in zaken nrs. 23/4720 en NL23.12968 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
1.       de minister van Asiel en Migratie, en
2.       het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa).
Procesverloop
Bij besluit van 24 april 2023 heeft het COa de vreemdeling overgeplaatst naar de Handhavings- en Toezichtlocatie te Hoogeveen.
Bij besluit van 24 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 25 mei 2023 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.J. Meijering, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De grieven zijn gedeeltelijk gericht tegen het oordeel van de rechtbank over een vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 56 van Pro de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).
1.1.    Wat de vreemdeling in dit deel van het hoger beroep aanvoert, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dit doet zich hier niet voor.
1.2.    De Afdeling is in zoverre onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
2.       Het hoger beroep is verder gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het besluit tot overplaatsing van de vreemdeling naar de HTL. Het hoger beroep leidt in zoverre niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.1.    Het hoger beroep gaat onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3564, onder 5.24 tot en met 5.33, over de vraag of overplaatsing naar de Handhavings- en Toezichtlocatie vrijheidsontneming inhoudt). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.2.    Het hoger beroep is in zoverre ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt in zoverre bevestigd.
3.       De minister en het COa hoeven geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de vrijheidsbeperkende maatregel;
II.       bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2024
941