AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging vernietiging besluit verlenging overdracht vreemdeling aan Bulgarije
De minister van Asiel en Migratie stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag die het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn van een vreemdeling aan Bulgarije tot achttien maanden vernietigde.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, verwijzend naar eerdere jurisprudentie over het begrip 'onderduiken' in de Dublinverordening.
Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens wees de Raad het verzoek om een voorlopige voorziening af en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.C.A. de Poorter, in aanwezigheid van griffier S. Nederhoff, en uitgesproken in het openbaar op 2 september 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
202404662/1/V3 en 202404662/2/V3.
Datum uitspraak: 2 september 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 vanPro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 18 juli 2024 in zaak nr. NL24.24018 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij uitspraak van 18 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B.J. Manspeaker, advocaat in Dordrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630, onder 6 en 7, over wanneer wordt voldaan aan de omschrijving van het begrip ‘onderduiken’ in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.